De kennis van Jezus II

169. Dinsdag na de Tweede Zondag na Pasen

De kennis van Jezus (die immers liefde is) gaat alle kennis te boven ( Eph. 3, 19 ). Zij gaat alles te boven ( Phil. 3, 8 ). Zij is het eeuwige leven ( Joh. 17, 3 ). Zij is het kenmerk van de schapen van Christus’ kudde, — tezamen met de volgzaamheid. Maar wie zou aarzelen zijn Herder te volgen overal waarheen Hij gaat, indien hij Hem kent zoals Christus de Vader kent?

Hij is ons voorgegaan in de dood, de vrijwillige dood uit liefde. Hij heeft van alles afstand gedaan. Hij werd de graankorrel die in de aarde viel en stierf. De Herder en Opzichter onzer zielen werd het Lam dat ter slachtbank zich liet leiden. Het Lam verloste de schapen. In het epistel van de Zondag ( 1 Petr. 2, 21-25 ) wordt ons, midden in de paastijd, het voorbeeld van de lijdende Christus voor ogen gesteld. Hij is ons in alles gelijk geworden behalve in de zonde. Wij moeten Hem nu gelijkvormig worden door die liefdevolle kennis die ons met Hem verenigt en herschept naar zijn beeld. Die alles overtreffende en alle obstakels triomfantelijk overwinnende kennis van Jezus bestaat, volgens de apostel, in een ervaren van de kracht van zijn verrijzenis en van de gemeenschap met zijn smarten en zijn dood ( Phil. 3, 10 ). Zo zijn er twee kanten aan de ware kennis van Jezus, maar die twee aspecten bestaan niet naast elkaar, zij doordringen elkander, zij bestaan in één. Wie Jezus kent op de wijze waarop de minnaar kent, is daarom zalig en ellendig tevens, want hij zal Jezus’ sterven ervaren en tegelijk begint in zo iemand de kracht (de onmetelijke) van Christus’ verheerlijking te werken. De kennis van de Heer onthult hem immers mèt het vermoeden van de onuitsprekelijke glorie, dat gelukkig maakt, de ellende van zichzelf en doet hem de zin der geschapen dingen doorzien. En deze kennis is smartelijk, want zij moet de mens genezen van alle zelfbehagen en alle gehechtheid buiten God om. Zonder „sterven” is dit onmogelijk. Wat niet gestorven is en herrezen (maar tot een ander leven), kan niet bestaan voor Gods aanschijn.

1. Daarom ook is deze kennis zo zij waarachtig is, altijd werkdadig . „Alles ben ik gaan beschouwen als verlies om de alles overtreffende kennis van mijnen Heer Jezus Christus” ( Phil. 3, 8 ). Zulk een beschouwing blijft geen theorie, maar wordt omgezet in het leven. Anders was zij zelfbedrog. Juist omdat de mens evenals Christus begint te sterven aan de zonde en te leven voor God, is hij in staat de Heer te kennen met die kennis die liefde inhoudt en tot de eenheid leidt. Want gelijkgeaardheid is de grondslag van dit smaken hoe zoet de Heer is, — en zij is er tevens het resultaat van.

2. De echte kennis des Heren schept de gelijkvormigheid met Christus. Hij is ons enig en volmaakt model, het beeld Gods, waarnaar wij zijn geschapen en herschapen en waarop een christelijk leven ons steeds sterker doet gelijken. In dit licht moeten wij ook de navolging der heiligen beschouwen. De Kerk, ook hierin door Christus’ Geest geleid, plaatst ons hun voorbeeld voor ogen. Doch wij moeten dit altijd zien als een bijzondere en gedeeltelijke ontvouwing van het éne evenbeeld, dat de Heer is. De enige, die wij in alles veilig volgen kunnen, is Christus. De heiligen hebben menigmaal een zeer bijzondere roeping ontvangen, die niet in alle onderdelen als een algemene norm kan gelden. Onze enige norm is de Heer. God heeft ons de heiligen geschonken als wegwijzers, die onze zwakheid telkens opnieuw herinneren aan onze Herder, als sterren, die al hun licht ontvangen van die enige zon des heils.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *