De korte tijd

174. Derde Zondag na Pasen

„In die tijd zeide Jezus tot zijn leerlingen: „Een weinig tijds en gij zult Mij niet meer zien; en weer een weinig tijds, dan zult gij Mij weder zien. Want ik ga naar de Vader” ( Joh. 16, 16 ). Zo lezen wij in het evangelie van heden. Jezus sprak deze woorden op de laatste avond van zijn sterfelijk leven. En zij dragen dat eigenaardige, enigszins zwevende karakter dat kenmerkend is voor vele passages van de grote afscheidsrede waaraan zij zijn ontleend. Jezus spreekt hier aan de vooravond van zijn vreselijke dood, maar het is alsof Hij aan de verschrikkingen van het lijden reeds ontheven is, alsof Hij reeds niet meer behoort tot deze aarde en de sfeer van dit leven waarin zijn leerlingen nog verkeren. Jezus’ dood is de trede tot de glorie en soms lijkt het of hier de verrezen en verheerlijkte Zaligmaker aan het woord is. De liturgie heeft met feilloze tact haar evangelie van deze en de volgende Zondagen ontleend aan de afscheidsrede van Jezus bij Johannes . — zij wil dus deze woorden verstaan vanuit de situatie tussen verrijzenis en hemelvaart. Men zou ze natuurlijk kunnen opvatten als wees het heengaan op Jezus’ dood en het weerzien op de verschijningen na de verrijzenis. Maar hiermee is zonder twijfel niet de volle bedoeling van de Zaligmaker weergegeven. Hoe zou men op het kortstondige en telkens onderbroken verkeer van de Verrezene met zijn discipelen Jezus’ woorden kunnen toepassen: „Ik zal u weerzien en dan zal uw hart zich verblijden en niemand zal u deze vreugde ontnemen. Te dien dage zult gij Mij niets meer vragen” ( Joh. 16, 22. 23 ). Ook Sint Augustinus verstaat in de homilie op het evangelie onder het weerzien de hemelse vreugde.

1. „‘ „weinig tijds” ’ is de voortsnellende duur van dit leven en deze wereld. Het kan ons lang voorkomen omdat het nog voortduurt. Maar wanneer het ten einde is, zullen wij inzien hoe kort het was.” De kortheid van deze aeon , de kortheid van dit leven houdt vooreerst een machtige aansporing en een ernstige waarschuwing in. Het is deze werkelijkheid die de christen zich altijd opnieuw voor ogen moet stellen: de tijd ons toegemeten is kort en snelt onherroepelijk voorbij. God heeft hem ons gegeven als kostbare gave om mee te woekeren voor zijn glorie en voor zijn rijk. Ons past de houding van tegelijk bescheiden en ijverige knechten, die is, waakzaamheid. Waakzaamheid die de bedrieglijke nevel van de zelfzucht doorschouwt, die geen deeltje van Gods gave onbenut wil laten, die de ziel bewaart in een gesteltenis van gereed staan voor de komst des Heren. Zó is de houding der Kerk, bereid haar Bruidegom tegemoet te snellen, — in de paastijd sterker wellicht dan ooit, nu wij de verrezen Heiland volgen mogen tot aan de drempel van het vaderhuis.

2. Tegelijk betekent dit „weinig tijds” , dat ons in de liturgie van heden als een refrein in de oren blijft hangen, een troost. Een troost niet enkel daarom (ofschoon óók daarom), dat de hemel ons zal verlossen van de smarten van dit tranendal: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zult wenen en jammeren, doch de wereld zal zich verheugen” — maar toch bovenal hierom: „dat wij Hem zullen zien” . „Een korte tijd nog en wij zullen Hem aanschouwen: dáár zullen wij niet meer smeken noch vragen, omdat er niets meer te verlangen noch te zoeken overblijft” ( Augustinus ). De trouwe dienaar weet dat de vreugde waarin hij zal binnengaan, geen andere is dan de Heer zelf, zijn nabijheid en de door niets meer gestoorde vereniging met Hem. Deze vreugde zal niemand hem ontnemen. Het vermoeden van de glorie des Heren dat het zuivere gebed hem soms schenkt kan het verlangen naar déze vreugde alleen maar sterker maken.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *