De kracht in de zwakheid

103. Zaterdag na Sexagesima

„Daarom werd mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees, een doorn in het vlees gestoken, een engel van satan om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen. Tot driemaal toe bad ik daarover de Heer, dat hij weg zou gaan. Maar Hij zeide mij: „Mijn genade is u genoeg. Want juist in de zwakheid komt de kracht tot haar recht!” Het liefst zou ik dus op mijn zwakheden roemen opdat de kracht van Christus in mij mag wonen” ( 2 Kor. 12, 7-9 ; epistel van de Zondag).

Dit is het laatste gedeelte van dit rijke epistel. De Apostel is eindelijk daar gekomen waar hij het liefst over spreekt als hij dan toch over zichzelf moet spreken. Want niets gaat hem meer ter harte dan de glorie van God. En die eist de vernietiging van alle roemen op zichzelf, van alle menseneer. Daarom jubelt hij over die zwakheid die geen ruimte voor misverstand overlaat: alleen Gods kracht is het die zo heerlijk werkt in een zo miserabel mens. Het heeft hem veel gekost tot dit hemelse inzicht te komen. Aanvankelijk kon hij in die vernederende en machteloos makende ziekte (want dat is waarschijnlijk de doorn door de engel van satan in zijn vlees gestoken) niets anders zien dan een beletsel voor zijn apostolaat, een lastige hindernis, die het werken voor de Heer in de weg stond. Maar toen heeft de Heer zelf hem de diepe zin van het lijden onthuld. In zulk een lemen vat wordt Gods kracht openbaar en iedereen begrijpt dat het Christus is die daar werkt.

1. Dit is ook in het geestelijk leven de moeilijkste les en misschien wel de noodzakelijkste: te begrijpen dat zwakheid geen beletsel is voor Gods genade maar het tegendeel . God bouwt met puin (en Hij moet wel). Wat menselijkerwijze gesproken onbruikbaar lijkt, wordt gewoonlijk onbruikbaar door eigenwaan. Zelfgerechtigheid en geestelijke trots zijn de eigenlijke obstakels voor de genade. Zwakheid niet, daar de genade haar veronderstelt en daar zwakheid geen basis levert voor de hoogmoed. Haar gevaar is dat zij ontmoedigt . Zij wordt daarom overwonnen (maar niet weggenomen) door nederigheid die zich niet verwondert, die zich nooit verwondert over de eigen ellende, en door vertrouwen dat de goddelijke stroom inschakelt, zonder weerstand. Vertrouwen op Gods genade is het beslissende geheim der heiligheid. Maar het ware vertrouwen op God is onmogelijk zolang niet (in de orde van het heil) alle zelfvertrouwen is gebroken. Dit betekent in gewoon Nederlands dat de mens slechts door een afgrond van ellende kan komen tot de innerlijke vrede die God voor de christen heeft weggelegd, — door de afgrond van geestelijke ontlediging waarvan Johannes van het Kruis spreekt (en alle anderen op hun manier).

2. Wij lijden meestal aan het misverstand dat de heiligen en alle ware vrienden Gods van nature sterke zielen zijn, mensen van een ander slag dan wij. Deze gedachte vloeit voort uit de fundamentele misvatting dat de heiligheid het resultaat zou zijn van menselijke inspanning. Toch heeft Jezus het zo duidelijk en volstrekt gezegd: „Zonder Mij kunt gij niets” . En Hij heeft zo zijn manieren om ons dit te laten voelen op een wijze die alle theoretisch inzicht in de schaduw stelt.

De heiligen zijn heilig geworden met hun zwakheden. Of was Sint Augustinus niet zwak toen hij lange tijd, tegen beter weten en willen in, niet opstond uit de zonde die hem vasthield? Gods vrienden hebben zich geheiligd niet ondanks maar door hun zwakheden, omdat deze hen nederig maakten en hen voerden tot het zuivere godsvertrouwen. Als iets hen onderscheidt van ons, dan is het dit vertrouwen dat aan Gods almachtige liefde geen grenzen stelt. „Ik kan alles in Hem die mij versterkt” ( Phil. 4, 13 ). „Wie overwint, hem geef Ik te eten van de boom des levens die staat in het paradijs van God” ( Openb. 2, 7 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *