De Verlosser der wereld

34. Zesde dag onder het octaaf van Kerstmis

Wij hebben het grote woord reeds gesproken, Heer. „Een kind in een stal is het heil der wereld.” Wij komen immers niet alleen in de stal, wel arm maar niet eenzaam. Wij laten de macht van de machines en de wijsheid der boeken en het duister glanzen van het geld en de vele, vele woorden van de vorsten dezer wereld achter, als wij bij U komen. Slechts de koningen brachten er een weinig van mee: goud, wierook en mirre. Maar deze dingen hadden hun wereldse waarde verloren, ze waren slechts als bloemen achteloos gestrooid langs de weg die uw voetjes gaan. Neen, wij komen eenvoudig zoals we zijn, mensen die hun hart in hun handen dragen en de noden van hun ziel, zonder de ballast van de aardse schijn en het druk bedrijf der wereld. Doch wij kunnen bij U de anderen , onze afwezige broeders en zusters (o, lange, lange rijen!) niet vergeten. En Gij wilt het ook niet, Verlosser der wereld. De engelen hebben gezongen in de nacht: „Vrede op aarde aan de mensen van goede wil” , en „Ik verkondig u een grote vreugde die voor heel het volk zal zijn: heden is u de Verlosser geboren” ( Lk.2, 14. 10. 11 ). „Voor heel het volk…” Heer, moge ik oprecht tot U spreken. God zijt Gij en Gij zijt mens geworden om de wereld te verlossen. Er zijn van die woorden die wij niet licht vergeten. Een daarvan is: „Ik ben gekomen opdat zij het leven zouden hebben en leven in overvloed” ( Joh.10, 10 ). Gij zijt Heer der geschiedenis en Koning der harten. In uw handje, o Kind, draagt Gij de aarde en al wat zij bevat. En zie, uw komst op aarde (en uw zalig lijden en heilzame dood), reeds bijna twintig eeuwen zijn daar overheen gegaan. Al die tijd heeft de Kerk, uw bruid, onze liefderijke en wijze moeder, met uw gaven mild bedeeld, de mensen genodigd en gelokt om bij haar uw heil te vinden, zoals een hen haar kuikens wil verzamelen onder haar vleugels, „maar zij hebben niet gewild” ( Mt.23, 37 ). Zij hebben niet gewild. Als wij onze ogen slaan buiten de kleine kring waartoe wij door uw genade behoren, als wij de wereld beschouwen, hoe wordt het ons te moede, zelfs in deze nacht schoner dan de dagen! Hoevelen hebben uw zachte juk versmaad? Hoevelen zelfs van die uw naam dragen, geloven niet werkelijk in U? Zult Gij bij uw wederkomst wel geloof vinden op aarde ( Lk.18, 8 )? De wereld is verscheurd van haat en wreedheid, ook deze nacht. Velen kennen U niet, voor de meesten zijt Gij een naam zonder werkelijkheid. Voor hen betekent uw kribbe slechts even een vage zachtheid, een kortstondige vertedering, maar een uur later rennen zij voort langs hun baan die een cirkel is zonder eind.

Uw evangelist heeft geschreven: „Het Licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan. Hij was in de wereld en ofschoon de wereld door Hem was ontstaan, erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in zijn eigen bezit. Ook de zijnen ontvingen hem niet. En dit is het oordeel: het Licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden de duisternis meer dan het Licht. Want hun werken waren boos” ( Joh.1, 5. 10. 11; 3,19 ). Heer, mogen wij ons buigen voor dit ondoorgrondelijk geheim. Wat kunnen wij anders doen dan op onze borst kloppen en bidden om genade, voor onszelf die, bevoorrecht en uitverkoren, zo lauw en laf zijn voor uw Rijk, — en voor de anderen, dat zij U kennen mogen zoals Gij zijt? O Goddelijk Kind, bij wie de bron des levens is en de volheid van het heil, ontferm U over ons. „Alle einden der aarde hebben het heil van onze God aanschouwd” ( Ps.97, 3 ; communio van de dagmis van Kerstmis).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *