De volmaakte liefde

214. Vrijdag onder het octaaf van Sacramentsdag

„De volmaakte liefde bant de vrees uit” ( 1 Joh. 4, 18 ; epistel van de eerste Zondag na Pinksteren). Zij sluit nog veel meer uit: zelfzucht, lafheid, berekening, halfheid, het niet koude en niet warme dat de Heer uitspuwt, en de dood die zij overwint. Maar zij is uitstekend te verenigen met de nederigheid, en met vernedering, mislukking, armoede en smart. Zij eist veeleer het kruis, zij roept er om, want zonder onthechting en lijden om Christus’ wil kan de liefde niet groeien tot de volmaaktheid die Sint Jan bedoelt en welke hij niet aarzelt aan zijn christenen voor te houden in dezelfde brief waarin hij ook heeft geschreven: „Als wij beweren geen zonde te hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons” ( 1 Joh. 1, 8 ). Hij weet dat zijn lezers uit zichzelf zondige en zwakke mensen zijn, zoals de mensen van alle tijden en alle streken, maar hij weet ook welke gave Gods liefde ons in Christus heeft geschonken. „Aan allen die Hem ontvingen gaf Hij de macht kinderen Gods te worden, aan allen die in zijn naam geloven, die niet uit bloed noch uit de wil van vlees of man, maar die uit God zijn geboren” ( Joh. 1, 12. 13 ). „Wie uit God is geboren bedrijft geen zonde, want Zijn levenskiem blijft in hem; hij kan niet zondigen, omdat hij uit God is geboren” ( 1 Joh. 3, 9 ). En daarom durft hij van zijn christenen, van ons allen, de volmaakte liefde te eisen die de vrees uitbant, de door de Geest ingegeven liefde der kinderen Gods, die ons zulk een vertrouwen inboezemt dat wij, ondanks onze zondigheid, niet langer als slaven Gods oordeel duchten. Liefde in haar volheid is inderdaad onverenigbaar met angst; zijn kan wel samengaan met eerbied, met huiver van ontzag zelfs, maar niet met vrees die beducht is voor straf.

2. Hoe geraken wij tot deze volkomenheid der goddelijke liefde? Wij kennen op deze slechts één antwoord: door kruis en gebed, door onthechting en beschouwing. En wanneer wij in dit octaaf met dankbare herinnering het sacrament vieren van Jezus’ volmaakte liefde, dan moeten wij toch tegelijkertijd beseffen dat deze goddelijke vondst van zijn minnend Hart nooit in ons zal bereiken wat de Heer bedoelde, zo wij niet langs die weg willen streven naar de volmaaktheid van ónze liefde. Zijn wij daartoe bereid, dan schenkt ons de eucharistie overvloedige genaden om altijd weer verder te gaan, want wij mogen ons nooit „inbeelden dat wij het al bereikt hebben” ( Phil. 3, 13 ). Dan putten wij uit die bron wat Augustinus noemde de magna voluntas en de magna charitas , de sterke wil en de echte liefde, de standvastige en edelmoedige gezindheid die alleen een ander mens van ons kan maken, doordat zij de levenskiem van Gods genade in ons doet triomferen over de gehele linie.

3. Mogen wij, o Liefde, door uw Geest geleid, met alle heiligen begrijpen welke de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte is van het mysterie waarvan Gij ons deelgenoten wilt maken. Mogen wij door uw goedheid zonder grens tot het diepe en ons verterende inzicht komen van de onnaspeurlijke rijkdom en de onuitputtelijke schatten die Gij voor ons gereed houdt. Mogen wij heden, nu, in dit uur beseffen dat het geen zin heeft, dat het nimmer enige zin voor ons heeft te wachten op een ander uur om ons zonder voorwaarde en zonder voorbehoud over te geven aan U. Moge de gedachte aan onze zonden ons alleen maar deemoedig maken doch nooit ontmoedigen. Moge het weten van de afstand die er is tussen U en ons, ons ten gronde toe vernederen om ons slechts des te volkomener te trekken tot U die aan het kruis werd verheven. Doe ons eindelijk geloven in de Liefde die Gij zijt.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *