De vrucht van de geest

305. Vrijdag na de Veertiende Zondag na Pinksteren

In het epistel van de Zondag ( Gal.5, 16-24 ) beschrijft de apostel de strijd die elke eerlijke christen te voeren heeft, zijn leven lang: de strijd tussen het vlees en de geest, zoals Paulus het uitdrukt, of in de termen van de Navolging die wij wellicht gemakkelijker verstaan, de strijd tussen de natuur en de genade–. Dit conflict kent iedere mens, want het is onvermijdelijk ook voor wie louter als mens behoorlijk wil leven; op dit algemeen menselijke plan is het de strijd tussen de zelfzucht en de uitspraken van de rede of de wet ( Rom.7 ). In de christen wordt dit conflict heviger, omdat hij van God bij het doopsel een hoger en sterker beginsel ontving dan het verstand, namelijk de Geest en de genade Gods en omdat deze impuls ons geschonken werd ter bereiking van een verhevener doel, de gelijkvormigheid met Christus. Deze oorlog begeleidt ons zolang wij leven; wij kunnen hem niet uit de weg gaan tenzij door laffe capitulatie. „De neigingen van de zelfzucht en de impulsen van de genade zijn met elkaar in strijd; de een staat lijnrecht tegenover de ander en daarom kunt gij niet alles doen wat ge wilt.” De zelfzucht zoekt de weg van de geringste weerstand en zij kan niet anders: genot, eer, macht en de vermijding van al wat onaangenaam is of pijn doet. Zij tracht het oordeel van verstand en geloof te voorkomen of, zo dit niet mogelijk is, te beïnvloeden. Zij wil minstens een compromis bereiken; men zal zijn plicht doen maar dan zo vlug en goedkoop mogelijk, of men zal zijn vijand niet beledigen maar in zijn hart zich boven hem verheffen. En zo verder, in eindeloze variaties, wat de zelfzucht is listig, onuitputtelijk in haar hulpmiddelen en altijd werkzaam. Zij lijkt, in dit leven, onsterfelijk. Maar zij is het niet, want de apostel schrijft: „Zij die Christus toebehoren hebben de zelfzucht gekruisigd met al haar driften en begeerten” . Dit is de eindterm, die de heiligen op aarde hebben bereikt, de dood van het egoïsme.

2. Is het mogelijk dit doel te bereiken? Kan een gewoon mens met recht en reden daaraan denken? Het is christenplicht daaraan te denken, want de Heilige Geest en zijn genade werd ons allen geschonken en de genade wordt ons gegeven met geen ander doel dan de gelijkvormigheid met de Heer. Door de genade van God kunnen wij de zelfzucht doden. „De vrucht van de geest is liefde, blijdschap en vrede.” Het volmaakte toebehoren aan Christus is het normale ideaal voor de christen. Het spreekt vanzelf dat wij slechts geleidelijk zo ver kunnen komen, dat wij moeten aanvangen met de bestrijding van de grovere uitwassen van ons egoïsme, dat wij het ideaal zonder buitengewone genaden Gods op aarde niet volkomen zullen verwezenlijken, — maar dit alles neemt niet weg dat wie anders denkt, begint met de dingen principieel onzuiver op te stellen. Wat Sint Paulus schrijft, schrijft hij volgens de geest van Jezus en hij schrijft zo voor alle christenen, niet voor een élite. Het is van het allerhoogste belang dat wij onze christenweg en ons einddoel helder en zuiver zien.

3. Natuurlijk is met het juiste inzicht des geloofs nog slechts de eerste stap gezet op de weg die geen andere is dan de weg van het kruis, de smalle weg die zo weinigen gaan. De zelfverloochening die ons leven lang moet duren gaat dan eerst beginnen. Maar wij staan niet alleen. De Geest die in ons is zal ons machtig stuwen door „liefde, vreugde, vrede” , indien wij slechts het einde van ons streven zuiver willen zien en op Hem vertrouwen. „Weest niet treurig, want de vreugde van de Heer is uw kracht” ( Neh.8, 10 ). De grootste fout die wij maken kunnen is moedwillig de ogen te sluiten voor de werkelijkheden van het geloof en het verheven doel dat God ons in Christus heeft gesteld; maar de grootste fout op één na is gebrek aan vertrouwen. Wij hebben er geen idee van welke kracht de Geest verleent aan wie zich door Hem laten leiden. Liefde, vreugde, vrede zijn sterker dan moedeloosheid en egoïsme en „Hij die in u woont is machtiger dan hij die in de wereld is” ( 1 Joh.4, 4 ).

„Alwie mijn geboden hoort en ze niet uitvoert is als een dwaas die zijn huis bouwde op zand; en de regen viel en de stromen kwamen en de winden bliezen en stortten zich op dat huis en het viel; en zijn val was geweldig” ( Mt.7, 26. 27 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee