De weg van de christen

125. Derde Zondag van de vasten

Er ligt over de teksten van de mis een stemming van innigheid en innerlijkheid. Het is alsof de christen na de eerste weken van de vasten er in geslaagd is zijn natuurlijke uitbundigheid en ongebondenheid te beteugelen. Hij heeft de eerste schreden gezet op de weg der zuivering. Hij heeft zijn zinnen teruggeroepen en zijn geest verzameld. Nu ziet hij uit naar het licht van God. „Mijn ogen zijn altijd op de Heer gericht. Zie mij aan en ontferm U mijner” ( Ps. 24, 15. 16 ; introitus ). „Tot U hef ik mijn ogen die in de hemel troont. Zie gelijk de ogen der knechten op de hand van hun heer en gelijk de ogen der dienstmaagd op de hand van haar meesteres, zo zijn onze ogen gericht op de Heer, onze God, — totdat Hij ons genadig is” ( Ps. 122, 1. 2 ; tractus ). Het evangelie en het offertorium spreken van de gestadige overweging van Gods woord. „Zalig zij die het woord van God aanhoren en bewaren” ( Lk. 11, 28 ). En de communio bezingt de heerlijkheden van het verblijf in Gods huis. „Zelfs de mus vindt een huis en de tortel een nest waar zij haar jongen neerlegt: uw altaren, Heer der heirscharen, mijn Koning en mijn God! Zalig die uw huis bewonen, die U gestadig spijzen mogen” ( Ps. 83, 4. 5 ).

Zo verloopt de weg van het christelijke leven. Door bekering en boete, door onthechting en zelfbeheersing wendt de mens zich af van de zonde. Na de eerste loutering volgt het stadium der verlichting. Dit betekent niet dat de zuivering voltooid is. Het betekent alleen dat de ergste en meest in het oog vallende feilen zijn overwonnen en dat de baan is vrijgemaakt voor ware voortgang in de dienst des Heren. „Eens waart gij duisternis, thans echter zijt gij licht in de Heer” ( Eph. 5, 8 ; epistel). De volledige zuivering zal eerst mogelijk worden door het werk van God, door het licht van God dat de ziel inzicht zal schenken in haar eigen ellende en de oneindige volmaaktheid van het goddelijk wezen. Bij de eerste loutering is alleen maar het ruwe werk gedaan. Het fijne werk dat de meer subtiele en de taaiste resten van het egoïsme moet opruimen en de ziel voorbereiden voor de vereniging met God, moet nog geschieden. Omdat deze arbeid fijner is en dieper moet indringen, is het aandeel van God hierin groter dan in het werk der (eerste) zuivering. Natuurlijk is Gods genade immer de eerste en voornaamste oorzaak van onze heiliging, maar naarmate de ziel vordert grijpt Hij meer in, of liever gezegd, de gehele voortgang in het geestelijk leven bestaat hierin dat Gods heerschappij (dat is zijn koninkrijk) meer en meer wordt gevestigd in onze ziel en alle gebieden van ons leven gaat doordringen. Zijn greep op de ziel wordt steeds vaster. Maar wij moeten het Hem mogelijk maken en blijven maken dat Hij meester wordt van ons hart, want Hij dwingt ons niet en eerbiedigt immer de vrijheid van onze overgave. Het is daarom dat het stadium der verlichting bovenal wordt gekenmerkt door een toename (in duur en innerlijkheid) van gebed en beschouwing. Het gebed is de invalspoort der genade.

Het is de tijd dat „onze ogen steeds op de Heer gericht moeten zijn” . Het is zeker dat de naar God strevende mens gemakkelijk op de weg der verlichting geraakt. Maar het is even zeker dat de meeste christenen op deze weg weinig vorderingen maken en dat slechts heel enkelen op aarde het einddoel der vereniging met God bereiken. De meesten schrikken terug voor de offers die God vraagt en stellen zich tevreden met de minimumweg der „gewone zaligheden” en het vermeende veiligheidssysteem van de vermijding der zware zonden. De reden hiervan is dat zij niet zien , dat zij niet willen zien, en de ogen niet openstellen voor de geestelijke realiteit, voor de goddelijke werkelijkheid van het eeuwige leven die de Heer ons tonen zal zo wij volharden in het gebed. Wanneer onze ogen altijd op Hem zijn gericht, worden zij zodanig verblind door zijn heerlijkheid en wordt onze ziel zozeer bevangen door de begeerte deel te hebben aan zijn liefde, dat zij niet langer aarzelt het kruis te omhelzen. Maar wij moeten willen Hem aanzien en onze geest terugbuigen, keer op keer, van de schepselen naar God, onszelf dwingen ingetogen te worden, om rustig en in een voedende stilte bij Hem te verwijlen. Wij moeten niet te gauw menen, als wij eens vurigheid voor God gevoelen, dat wij het zuivere gebed hebben bereikt. „Men bidt zo zelden echt! Wanneer men ingetogen is, enigermate Gods tegenwoordigheid beseft en zich tot Hem getrokken gevoelt, meent men te bidden. Men is dan nog slechts aan de voorwaarden van het gebed toe” ( H. Clérissac ).

Langs de weg der verlichting met edelmoedigheid en volharding voortschrijdend wordt de ziel geleidelijk aan rijp voor het volmaakte offer aan God in de liefde der vereniging. „Weest navolgers van God, zoals dat past aan geliefde kinderen. Wandelt in de liefde gelijk ook Christus ons heeft bemind en zichzelf voor ons heeft overgeleverd als een Gode behaaglijke gave en offerande” ( Eph. 5, 1. 2 ; epistel).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *