Eenheid in liefde

53. Vrijdag na de Eerste Zondag na Driekoningen

„Zoals wij in één lichaam vele ledematen bezitten en niet alle ledematen dezelfde taak verrichten, zo zijn wij tezamen, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk, ledematen ten opzichte van elkander” ( Rom. 12, 4. 5 ; epistel van de Zondag).

1. Ons begrip van de Kerk is dikwijls te uiterlijk. Er zijn ook christenen die in de Kerk alleen een geestelijke gemeenschap willen zien, zonder organisatie en zonder gezag. Katholieken kunnen niet in die dwaling vervallen zonder op te houden katholiek te zijn. Maar waaraan wij wel ooit lijden is een gebrek aan het volledige „kerkbewustzijn” . Ook op dit punt kunnen zowel de apostolische geschriften als de liturgie ons behoeden voor alle eenzijdigheid. Vooral de overweging van Paulus ‘ brieven zal ons inzicht schenken in het wezen der Kerk. Het lichaam van Christus is niet een toevallige vereniging van mensen die het over sommige dingen eens zijn en dezelfde eredienst volgen. Het is een door God geroepen en uit de wereld uiverkoren gemeenschap. De Kerk is allereerst de Kerk Gods , de ecclesia Dei . En zij is geroepen, dat is: afgezonderd. Niet om zich van de anderen afgezonderd te houden; door verkondiging en liefde moet zij geheel open blijven voor allen. Maar zij is toch anders dan de wereld die „ons niet kent, omdat zij Hem niet kent” ( 1 Joh. 3, 1 ). Christus’ volgelingen zijn uit de wereld genomen en met een nieuw wezen begiftigd. „Wij zijn overgegaan van de dood naar het leven” ( 1 Joh. 3, 14 ). De Kerk is nog in de wereld, maar zij heeft een andere aard, zij behoort reeds tot de toekomstige eeuw, zij wortelt in het andere leven.

2. Zij wortelt namelijk in Christus. De verheerlijkte Christus is haar Hoofd en de bron van haar innerlijk leven. De gemeenschap met Christus is de grondslag van haar eenheid. „Zo zijn wij allen tezamen één lichaam in Christus .” Wat ons katholieken verenigt is allereerst onze eenheid in Christus, en niet zozeer de overeenkomst in zeden en gebruiken die daarvan het gevolg moet zijn. Doordat wij allen in de Heer geloven en tot de gemeenschap met zijn dood zijn gedoopt, doordat wij in de Eucharistie deelhebben aan het éne lichaam des Heren en leven in de hoop eenmaal voor eeuwig „met Christus te zijn” , dáárom vormen wij de éne en heilige Kerk die zijn Bruid en zijn lichaam is. Dáár ligt het fundament der Kerk, het éne en onvervangbare. „Niemand kan een ander fundament plaatsen dan dat wat gelegd is: Jezus Christus” ( 1 Kor. 3, 11 ).

3. En dáárop berust ook de grote plicht der liefde, omdat wij „ledematen zijn ten opzichte van elkander, in Jezus Christus . Door Hem wordt het ganse lichaam samengevoegd en samengehouden… en zó voltrekt zich de groei van het lichaam tot eigen opbouw in liefde ( Eph. 4, 16 ). Deze liefde eerbiedigt de verscheidenheid van gaven en functies die aan de christenen zijn toebedeeld. Want de eenheid der Kerk is geen dode eenvormigheid, maar de saamhorigheid en op het geheel gerichte streving van een levend organisme: „zoals wij in één lichaam vele ledematen bezitten en niet alle ledematen dezelfde taak verrichten…” Maar de afzonderlijke leden moeten dan ook hun talenten en krachten in dienst stellen van de gemeenschap, ieder op zijn wijze. Aller medewerking is vereist. En dat niemand zijn broeder of zuster verachte, want „juist de schijnbaar zwakkere leden van het lichaam zijn het meest noodzakelijk” ( 1 Kor. 12, 22 ).

Boven alle gaven staat de liefde, de ware christelijke liefde voor de naaste. Een liefde die even eerlijk als onbaatzuchtig is, een die zichzelf niet zoekt en die ook in de naaste zonder zwakheid het waarachtig goede beoogt, dat immer is: zijn gelijkvormigheid met Christus.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *