Gelijkvormigheid door beschouwing

52. Donderdag na de Eerste Zondag na Driekoningen

„En wij allen die met onverhuld gelaat de heerlijkheid des Heren aanschouwen, wij worden herschapen tot de gelijkenis van datzelfde beeld, voortschrijdend van heerlijkheid tot heerlijkheid, door de Geest des Heren” ( 2 Kor. 3, 18 ).

Soms is men geneigd het te betreuren dat de apostel Paulus zulk een diepe kijk had op de christelijke werkelijkheid en dat een zo rijke taal en beweeglijke stijl hem ten dienste stonden om zijn gedachten uitdrukking te geven. Want daardoor komt het dat in zijn brieven „een en ander moeilijk te verstaan is” ( 2 Petr. 3, 16 ) en dat sommige (vele?) van zijn woorden niet doordringen tot de massa van het christenvolk. Daartoe behoort ook een vers als datgene waarvan hierboven een vertaling werd beproefd. In het voorgaande heeft Paulus een vergelijking opgezet tussen de bediening van het Oude en die van het Nieuwe Verbond, tussen Moses en hemzelf. Hoezeer overtreft de geest de letter! Toch bezat ook het Oude Testament zijn glorie. Straalde niet een bovenaardse luister van Moses ‘ gelaat toen hij neerdaalde van de berg Gods? Zozeer dat de Israëlieten hem smeekten met een sluier die glans af te schermen. Zij konden het niet verdragen. En deze sluier, zegt Paulus , belet hen eigenlijk nog altijd de ware heerlijkheid Gods te aanschouwen in het oude, heilige boek dat in hun synagogen wordt gelezen: zij zien nog niet dat daar alles wijst naar Christus, onze Heer.

Wij echter, Gods uitverkorenen in Christus Jezus, hetzij wij Jood waren of heiden, wij aanschouwen met onverhuld gelaat de heerlijkheid des Heren. Jezus’ dood en opstanding hebben de christen de diepe zin en de kracht van Gods verlossing geleerd. Jezus, „gedood naar het vlees, maar ten leven gewekt naar de geest” ( 1 Petr. 3, 18 ), wordt voor ons hoogste openbaring en mededeling van het eeuwige licht Gods. „Want de God die gesproken heeft: „Licht schijne in de duisternis” , is opgegaan in onze harten om ons te verlichten met de kennis der goddelijke heerlijkheid die ligt uitgespreid over het gelaat van Christus” ( 2 Kor. 4, 6 ).

Zo zien wij in het geloof de Heer. Zo beschouwen wij in het gebed van het geloof Christus, de Zoon des Vaders en de bron van ons heil. En Hem aldus geestelijk beschouwende worden wij door die liefdevolle aandacht aan Hem gelijkvormig. Het licht der godheid dat van zijn verheerlijkte mensheid straalt vangen wij op in onze geringheid, wij spiegelen het terug, wij gaan gelijken op dat enige en volmaakte beeld der godheid dat de mensgeworden Zoon is ( 2 Kor. 4, 4 ; Kol. 1, 15 ). zo is Gods heilsweg voor ons. „Want die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook te voren (dat is: van eeuwigheid) bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders” ( Rom. 8, 29 ).

En dit proces, deze herschepping, schrijdt voort „van heerlijkheid tot heerlijkheid” . Daar is geen einde. Het is gelijk wanneer men een heuvel beklimt en het einde van de horizon meent te bereiken. Maar op de top gekomen ontdekt men een nog veel schoner en weidser landschap. En dit is slechts een begin, de belofte van nieuwe en onvermoede vreugde. „Wat achter mij ligt vergeet ik en ik rek mij uit naar wat vóór mij ligt” ( Phil. 3, 14 ).

De geleidelijke, maar grondige omvorming van de mens tot de reële gelijkenis met zijn gekruisigde en verheerlijkte Meester wordt voltrokken „door de Geest des Heren” . Het is de Geest van Christus, die Hij aan de zijnen meedeelt en die in hen wordt tot beginsel van geestelijke groei, van aan Christus gelijkvormig, eeuwig leven. Het is Christus’ Geest die ons bezielt tot het gelovige, diep-innige beschouwen van de Heer, tot de werken der naastenliefde en het dragen in ons lichaam van Jezus’ sterven.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *