Gewetensonderzoek over het gebed

267. Dinsdag na de Negende Zondag na Pinksteren

„Er staat geschreven: „Mijn huis is een huis des gebeds” ( Lk.19, 46 ; evangelie van de Zondag). Nadat wij meermalen hebben gemediteerd over het wezen en de noodzakelijkheid van het gebed, willen wij ook eenmaal de zeer praktischevorm van overweging beoefenen die bestaat in het goede en geestelijke gewetensonderzoek voor het aanschijn Gods. Stellen wij ons in Gods tegenwoordigheid … Naar aanleiding van de woorden uit het evangelie willen wij ons onderzoeken omtrent de gebedsplicht.

1. Hoe verricht ik mijn gewone gebeden, morgen- en avondgebed, gebeden vóór en na het eten, vóór en na het werk? Hoe vervul ik mijn voornaamste en verhevenste gebedsplicht, — veeleer een voorrecht dan een plicht — het bijwonen van de mis, het ontvangen der heilige communie? Hoe ontvang ik het heilig sacrament der biecht? Hoe vervul ik de andere, mij door mijn staat wellicht voorgeschreven gebeden, als het bezoek bij het heilig sacrament, het gewetensonderzoek, de meditatie vooral? Beoefen ik ook andere vormen van gebed, die misschien niet strikt zijn voorgeschreven, maar door de goede geest van het christenvolk, de eeuwenlange praktijk der Kerk en de uitspraken van het kerkelijk leergezag sterk worden aanbevolen: op de eerste plaats gebeden tot deH.Maagd, vooral het rozenhoedje en de Engel des Heren, andere wijzen van heiligenverering, verering der engelen, van relikwieën, het verdienen van aflaten, het vroom gebruik van werkelijk godvruchtige bedevaarten, gebeden verbonden aan het lidmaatschap van godsdienstige verenigingen, geestelijke afzondering en retraite?

2. Onderzoeken wij onszelf vooral omtrent de wijze waarop en de geest waarin wij deze gebeden verrichten, gedachtig ’s Heren woord: „Als gij bidt, doet dan niet als de schijnheiligen, die er van houden … om door de mensen gezien te worden; voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon reeds ontvangen. Maar als gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur en bid tot uw Vader in het verborgen … Als gij bidt, gebruik dan geen stortvloed van woorden, zoals de heidenen; want zij menen, dat ze om hun vele woorden verhoord worden” ( Mt.6, 5-7 ). In de evangeliën geeft Jezus zelf ons duidelijk aan, in welke geest de christenen moeten bidden: met geloof, vertrouwen, volharding. Hun gebed moet gedragen zijn door innerlijkheid. Zij moeten „altijd bidden en nooit de moed verliezen” ( Lk.18, 1 ). — Bid ik uit sleur, uit menselijk opzicht, met schijnheiligheid misschien? Bid ik met geestelijke vrijheid, zonder slaaf te worden van methoden, formules, eigen en anderer bedenksels, beseffend, dat de Geest Gods ons geen nieuw slavenjuk wil opleggen in stede van de oude wet? Bid ik met eerbied, met vertrouwen ook in dorheid, met volharding en geloof, ook als God mij niet schijnt te horen, — met liefde, Gods eer zoekend, meer dan mijn eigen vertroosting? Bid ik voor de grote belangen van Jezus’H.Hart, voor de Kerk, voor de zondaars, voor de ongelukkige wereld, – of blijf ik egocentrisch opgesloten in mijn eigen belangenkringetje? Laten wij toch zeker in het gebed allereerst het rijk Gods zoeken en zijn gerechtigheid.

3. „Bidt zonder ophouden” ( 1 Thess.5, 17 ). Schenk mij, o Jezus, op voorbede uwer Moeder, de geest van het inwendige gebed, waardoor ik immer gemakkelijker tot U, mijn oorsprong en mijn doel, kan terugkeren, — schenk mij bovenal de geest van het ware liturgische gebed, in vereniging met het gebed van uw Bruid, de Kerk, in vereniging met uw enig en immerdurend offer.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)