Godsvertrouwen in diepe nood

366. Woensdag na de drie en twintigste Zondag na Pinksteren

Het offertorium van de Zondag is ontleend aan de psalmDe Profundis. „Uit de diepten roep ik tot U, o Heer.” Wij kennen deze psalm vooral als gebed voor de overledenen en zo zullen wij hem in de Novembermaand gaarne bidden om Gods barmhartigheid af te smeken voor de gelovige zielen, bijzonder in onze tijden, nu zovelen plotseling uit het aardse leven zijn weggerukt. Maar dit vroom gebruik mag ons niet beletten de psalm ook te zeggen in eigen naam, te samen met de Kerk die hem de laatste Zondagen na Pinksteren telkens opnieuw in haar liturgie gebruikt (alleluja-vers en offertorium ). Het is een diep en innig gebed dat in zijn eenvoud licht verstaan kan worden ( Ps.129 )

Uit de diepten roep ik tot U, o Heer,
Heer, verhoor mijn stem.
Mogen uw oren luisteren naar de stem van mijn smeken.
Als Gij op de ongerechtigheden acht slaat, Heer,
Heer, wie zal dan bestaan?
Maar bij U is vergeving
en om uw wet (openbaring) verwacht ik U, o Heer.
Mijn ziel hoopt op de Heer.
Van de morgenwake tot de nacht verwachte Israël (de Kerk) de Heer.
Want bij de Heer is erbarming
en bij Hem is overvloedige verlossing.
Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Het is een gebed zoals wij er vele in het psalterium aantreffen. De ziel is zich haar zonde en ellende bewust en vanuit de diepte van dit bewustzijn klinkt haar noodkreet op tot God. Doch die kreet is vol vertrouwen. De ziel hoopt onwankelbaar op de verlossing die komt van God. En de psalmist sluit zich niet op in zichzelf. Hij weet zijn lot verbonden met dat van heel het godsvolk, met de ongerechtigheden en de verlossing van heel Israël. Onze godsdienst, ons gebed mist diepgang, omdat wij oppervlakkig leven en egoïstisch. Wij zijn ons onze nood niet bewust. Wij kennen de nood der zonde niet die de Godmens deed sidderen van angst in de Hof van Olijven. Wij menen dat wij vrij behoorlijk leven, dat het „zo erg niet is,” ons misbruik van tijd en genade. En Wij menen dat wij ons van de zonden der wereld niets of weinig behoeven aan te trekken. Jezus heeft gezegd: „Zalig zij die treuren” . Zalig zij die de nood der zielen, de benauwenis van het godsrijk, de zonde der mensheid niet vergeten. De Kerk, geliefde Bruid des Heren, onttrekt zich niet aan de smartelijke deelname in de doodsstrijd van het menselijk geslacht. Zij bidt, en haar trouwe kinderen met haar: „Uit de diepten roep ik tot U, o Heer” … En zij wanhoopt niet: Bij de Heer is overvloedige verlossing. Het bloed van het Lam neemt alle zonden weg van wie hopen op de Heer. Het is gemakkelijk niet te wanhopen voor hem die uit gemakzucht en oppervlakkigheid geen blik sloeg in de diepten van de zondenood. Allen de mens die in deze diepten is afgedaald en zo alle lichtvaardig zelfvertrouwen verloren heeft, kan weer opstijgen tot een waarlijk bovennatuurlijk godsvertrouwen, tot het geloof in de Heer alleen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee