Het gebed in Christus’ naam

127. Dinsdag na de Derde Zondag van de vasten

„Ik zeg u: Als twee van u op aarde eenstemmig zijn om wat ook te vragen, zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is. Want daar waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden” ( Mt. 18, 19. 20 ; evangelie).

1. Er zijn weinig waarheden die men uit het Nieuwe Testament gemakkelijker kan bewijzen dan die van de almacht van het smeekgebed. Niets ging Jezus meer ter harte dan zijn leerlingen te bezielen met een onbegrensd vertrouwen op de macht en de goedheid van de hemelse Vader. „Vraagt en gij zult verkrijgen, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal worden opengedaan” ( Mt. 7, 7 ). „Tot nu toe hebt gij niets gevraagd in mijn Naam. Vraagt en gij zult verkrijgen, opdat uw vreugde volkomen zij” ( Joh. 16, 24 ). „Alles wat gij in het gebed vraagt, gelooft dat gij het reeds ontvangen hebt en het zal u geworden” ( Mk. 11, 24 ). Sterkere woorden zijn wel niet denkbaar. Jezus brengt nooit de verzachtingen en beperkingen aan, die exegeten en theologen immer menen aan deze teksten te moeten toevoegen. Natuurlijk is Augustinus ‘ uitspraak juist dat „iets niet in Jezus’ naam wordt gevraagd wanneer het strijdt met ons geestelijk heil” en het is evenzeer waar dat God alleen weet wat ons waarachtig heil bevordert, — maar men kan toch de indruk niet van zich afzetten dat Jezus het zó niet allereerst heeft bedoeld, dat onze „verklarende aantekeningen” bij die woorden van goddelijke fierheid meer zijn ingegeven door al te menselijke voorzichtigheid dan door het genereuze geloof dat Hij stelt als enige voorwaarde. Gelooft dat het het hebt verkregen. Waarom blijft ons gebed onverhoord? Omdat het ons ontbreekt aan vertrouwen, aan het geloof dat bergen verzet. Wanneer wij in Jezus’ naam God vragen om vermeerdering van liefde en dit gebed niet verhoord wordt, wat kan daarvan de oorzaak zijn dan gebrek aan geloof? Wij geloven niet waarachtig dat God bij machte is uit stenen kinderen van Abraham te verwekken, wij leggen onze menselijke kleinheid en ons menselijk wantrouwen tegenover Hem niet af. Wij hopen bijna dat Hij ons gebed niet helemaal ernstig zal nemen. Wij denken van Hem als was Hij ons gelijk: goed en machtig met mate. Wij geven Hem de eer niet die Hem toekomt door onbeperkt te vertrouwen: het enige wat Hij ons vraagt. „Voorwaar: Ik zeg u: indien gij een geloof hebt als een mosterdzaadje, zult gij tot deze berg zeggen: Ga van hier dáár heen en hij zal gaan. En niets zal u onmogelijk zijn” ( Mt. 17, 20 ). Wanneer wij met een greintje echt geloof bidden en blijven bidden om onze heiliging, zal niets ons weerstaan, zal niets Gods almacht weerstaan, al zullen de wegen waarlangs Hij ons tot dat doel leidt wellicht geheel anders zijn dan die welke wij zouden bedenken.

2. Het evangelie van heden leert ons dat het gebed een geheel bijzondere krachtdadigheid verkrijgt wanneer het in gemeenschap geschiedt. Jezus denkt niet aan een gezamenlijk bidden waar de harten gescheiden zouden zijn. Hij vraagt twee zielen die het „eens zijn” , die tezamen God zoeken in Hem, die „in zijn naam” zijn verenigd. Daar ontstaat een macht waaraan Gods barmhartigheid geen weerstand kan bieden, want de Heer is „in hun midden” . God verhoort dit gebed onfeilbaar, want het is de hoogste uiting der naastenliefde, het gebod aan het eerste gelijk.

Wanneer Jezus reeds aanwezig is daar waar twee of drie in zijn naam zijn verenigd, hoezeer zal dan de gemeenschap der Kerk van zijn tegenwoordigheid vervuld zijn! In de viering der liturgie vat de heilige Kerk allen die met geloof en liefde aan haar mysteries deelnemen tezamen in een eenheid die de Vader erkent als het beeld van zijn Eengeborene. Daar willen wij de stem van onze verlangens en onze zorgen doen samensmelten met het lied van de Bruid, dat weerklinkt voor de troon van God en het Lam.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *