Het grote gebod

325. donderdag na de Zeventiende Zondag na Pinksteren

„Bemin de Heer, uw God, met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met geheel uw verstand” ( Mt.22, 37 ; evangelie van de Zondag).

Dit gebod is het grootste gebod zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament en de grondslag van heel de godsdienst. Jezus heeft het overgenomen uit de oude Wet . Hij heeft het niet voor het eerst uitgevaardigd. Hij heeft het niet eens gewijzigd maar het door de openbaring van de Vader die Hij bracht en door zijn eigen voorbeeld tot volkomenheid gevoerd. In dit gebod wordt de mens de godsliefde als zijn eerste plicht opgelegd en wordt bijzondere nadruk gegeven aan het karakter van totaliteit dat deze liefde moet bezitten. Zij legt beslag op de gehele mens en al zijn vermogen.

1. Bemin de Heer, uw God, met geheel uw hart . Dit betekent allereerst dat onze liefde voor God waarachtige liefde moet zijn die voortkomt uit het hart. God vraagt van ons gehoorzaamheid, eerbied, aanbidding, lof. Vóór alles vraagt Hij liefde: de beweging van ons gemoed en de geneigdheid van onze wil die ons aan onszelf ontrukken, die ons streven leiden in de richting van een ander, die die ander, niet onszelf, tot het middelpunt maken van ons denken en doen, tot de oorzaak van onze vreugde of smart. Die ander moet voor de christen God zijn. Beantwoordt mijn verhouding tot God enigermate aan deze beschrijving? Gaan mijn gedachten en verlangens spontaan uit naar Hem? Kan ik pijn gevoelen om Hem? En vreugde om God en in God? Word ik ooit aangegrepen door de diepe begeerte bij Hem te zijn? Weet ik met een niet te beredeneren zekerheid dat Hij alleen mijn geluk is? Of verdient datgene wat mij bindt aan God de schone naam van liefde niet? Wordt mijn betrekking tot God allermeest gekenmerkt door een vage vrees? Of door een soort dwang? Wordt ze beheerst door gewoonte, door menselijk opzicht, niet door iets dat innerlijk leeft in mij? Dan ontbreekt er veel aan mijn liefde van ganser harte.

2. Bemin de Heer, uw God, met geheel uw ziel . Hier vraagt Jezus nog meer dan de liefde van heel het hart. Deze eis boort dieper. Door de ziel immers leven wij; zij is het beginsel van ons leven, de bron waaraan al onze levensverrichtingen ontspringen. De liefde tot God moet zo dicht mogelijk liggen aan de oorsprong van ons leven. Zij moet tot de kern van ons wezen zijn doorgedrongen. Vanuit dat middelpunt moet zij alles beheersen en naar alle zijden uitvloeien.

Meen niet dat dit te veel is gevraagd. God zelf is in dit centrum van ons wezen tegenwoordig. Hij houdt het door zijn macht in stand. Zijn genade overstroomt het met liefde. Hij beheerst ons binnenste heiligdom oneindig meer dan wijzelf. De ziel die inkeert tot zichzelf vindt God aanwezig in zichzelf. Hier zien wij het grote en noodzakelijke verband dat er bestaat tussen de liefde en het inwendig gebed. Dit gebed is niets anders dan een „oefening” om zichzelf steeds meer in liefde gevangen te geven aan de Liefde die in het diepst van onze ziel tegenwoordig is. Tracht ik zo God te vinden in mijzelf en aldus Hem te beminnen met geheel mijn ziel?

3. Bemin de Heer, uw God, met geheel uw verstand . De liefe die God van ons vraagt gaat ons verstand te boven, maar zij is niet in strijd met ons verstand. Zij wordt niet geregeld door de eisen van het nuchtere mensenverstand, maar zij eist dat het verstand zich in haar dienst stelt. Zij bestaat niet enkel in gevoel of emotionaliteit (al kunnen ook deze tot haar gevolg behoren). Zij vraagt aan het verstand de tucht te herstellen in de lagere regionen om zelf vrij te kunnen zijn voor God: zelfbeheersing, ascese. Maar bovenal beminnen wij God met heel ons verstand, omdat de christen zich laat leiden door het geloof . Het geloof is de gids van onze liefde, de enige gids, die zij volgt in licht en duisternis. En de liefde van haar kant scherpt het zicht van het geloof. Want niemand ziet helder in dit leven die niet bemint.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee