Het licht van Gods aanschijn

92. Dinsdag na Septuagesima

„Laat uw aanschijn lichten over uw dienaar en red mij in uw barmhartigheid. Heer, laat mij niet te schande worden, want ik roep tot U” ( Ps. 30, 17. 18 ; communio van de Zondag).

De Kerk legt ons bij de heilige communie wederom een gebed op de lippen ouder dan het christendom, enkele verzen van een oude psalmdichter. Welk een schat van diepe en eenvoudige gebeden bevat het psalter , door Gods Geest ingegeven en geheiligd door de liturgie en het vroom gebruik van zoveel christen-generaties! In de communiezang van deze Zondag biedt de mens in ellende en nood, de mens die zich zijn zonde bewust is, maar die bidt en weet dat God zijn heil is. Het zondebesef maakt pas de juiste houding van de ziel mogelijk ten overstaan van God „die de goddeloze rechtvaardigt” ( Rom. 4, 5 ). En het gebed herstelt het contact met God, breekt de mens open naar de kant van God en verlost hem van een geestelijk isolement waaruit geen schepsel hem vermag te bevrijden. Zo is deze psalmzang in volmaakte overeenstemming met de geest van de voorvasten.

1. „Laat uw aanschijn lichten over uw dienaar.” „De Heer is mijn licht en mijn heil, wie zou ik vrezen?” ( Ps. 26, 1 ). Het aanschijn Gods staat gekeerd over elke mens, — en elke mens draagt in zich de afgrond van het niet en de zonde, maar ook de afgrond van het godsverlangen die roept om vervulling door de grondeloze liefde ( „Daarom moeten wij heel ons leven grondvesten op een grondeloze Afgrond, dan kunnen wij eeuwig in liefde zinken en aan ons zelf ontzinken in de grondeloze Diepte” ( Ruusbroec ). In het gebed dragen wij ons hart, het ellendige en onrustige, voor Gods aanschijn, en wij smeken dat Hij zijn licht laat stralen over ons, zijn gunst, zijn liefde, zijn heil.

2. „Heer, laat mij niet te schande worden.” Wij worden alleen dan te schande, als wij in hoogmoed op onszelf vertrouwen of in kleinmoedig- heid alle vertrouwen hebben verloren. „God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen schenkt Hij zijn genade” ( 1 Petr. 5, 5 ). „Wij op Hem vertrouwt zal niet beschaamd worden” ( Rom. 9, 33 ). „Alwie de naam des Heren aanroept zal behouden blijven” ( Rom. 10, 13 ). Het afleggen van alle zelfvertrouwen in het bovennatuurlijke is ontzettend veel moeilijker dan wij denken. Vooreerst omdat wij er de volstrekte noodzakelijkheid niet voldoende van inzien. Het bovennatuurlijke is het domein van God en van Hem alleen, het is zijn eigenlijke rijk. Alle eigenwaan, dat is dus de geringste gedachte die zin zich bevat dat wij daar iets kunnen presteren onafhankelijk van Hem, is niet alleen belachelijk van miskenning der realiteit, maar is ook een aanslag op die goddelijke eer die Hij zich nimmer roven laat. En omdat wij van die noodzaak niet diep overtuigd zijn, komen wij niet tot de grote zelfverloochening die in het volstrekte vertrouwen op God is gelegen. Want die twee beantwoorden precies aan elkaar. Ik kan slechts op God vertrouwen in de mate dat ik zelfverheffing, eigenwaan en zelfvertrouwen (in het bovennatuurlijke) afleg. En dit laatste vereist geestelijke zelfverloochening, een ontbloting van de geest, die grotere offers met zich brengt dan menige lichamelijke versterving. Of is het niet een „negeren van zichzelf” (zoals Jezus het letterlijk aan zijn leerlingen oplegt), wanneer men in de geestelijke strijd altijd opnieuw zijn eigen krachten voor Gods oog „verloochent” en ontkent om alleen naar Hem uit te zien? Of is het geen eren van God alles van Hem te verwachten, terwijl wij onze eigen zwakheid dagelijks ervaren?

Bidden wij nederig om die nederigheid en om dat vertrouwen, het zuiver bovennatuurlijke Godsvertrouwen dat het beslissende keerpunt is van het geestelijke leven.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *