Het nieuwe Licht Gods

41. Verschijning des Heren 6 Januari

In de prefatie van het feest looft de Kerk de „heilige Heer, de almachtige Vader, de eeuwige God” : „toen uw Eéngeborene in onze sterfelijke natuur verscheen, heeft Hij ons hersteld door het nieuwe licht van zijn onsterfelijkheid” . Driekoningen heet in de taal der Kerk Epiphanie, dat is Verschijning, Openbaring. Vandaag lezen we in het epistel de woorden van de profeet: „Uw licht, Jerusalem, is gekomen en de glans des Heren is over u opgegaan” . In de oratie bidden wij: „dat wij geleid mogen worden tot aanschouwing van uw hoge luister” .

De grote les van Jezus’ menswording en geboorte vernamen wij met het kerstfeest: de vrede van God en de wereld, de verzoening der mensen, de navolging van de eenvoud en de nederigheid van het Kind, onschatbare zedelijke vermaningen, geheel in de geest van Jezus’ eigen woorden in het evangelie. Maar de Kerk verlangt dat wij aan de hand van haar liturgie nog dieper doordringen in deze goddelijke geheimen. Driekoningen is als een verdere bezinning op kerstmis. De oude liturgie ziet in het Kind van de kribbe niet alleen een schouwspel dat ons vertedert, niet enkel een goddelijke les die ons beter maakt, een hemels voorbeeld van vele deugden. Zij ziet in dit geheim allereerst de openbaring Gods, die onder ons is verschenen, „het licht dat over Jerusalem is opgegaan” , dat telkens opnieuw opgaat over de duistere wereld in de kringloop van het kerkelijk jaar en dat voortdurend weer werkelijkheid wordt in de viering van het offer. Het Kindje in de duistere stal is het licht der wereld. Het is in de onaanzienlijkheid der kribbe, in de koude en armoede der uitgestotenen het goddelijke licht dat ons verlost en „herstelt” . God is onder ons verschenen.

En deze verschijning is een nieuw licht, een te voren ongekende openbaring. God had zich ook eerder doen kennen op velerlei wijzen en in verscheidene vormen, in de luister der schepping, in de lotgevallen der geschiedenis door straffende oordelen en wondere redding, door de wet aan zijn volk en bovenal door de godswoorden van zijn profeten. Maar thans openbaart Hij zich eens voor al in de enige Zoon, die mens werd. Niet langer is het de natuur alleen die haar woordeloos loflied zingt op de Schepper, niet langer spreken mensen stamelend over God, — God zelf is verschenen. God werd mens en draagt een menselijk gelaat. Hij werd een hulpeloos mensenkind en straks zal Hij, „de ééngeboren Zoon, die rust aan de boezem des Vaders” ( Joh. 1, 18 ), tot ons spreken in menselijke taal. Waarlijk, een nieuw en enig Licht is onder ons opgegaan. Komt laat ons Hem aanbidden. Driekoningen is bij uitstek het feest van het geloof. De koningen en herders hadden gelijk, tegen de gehele wereld in: het kleine, onbekende Kind in de nacht is de Heer van het heelal.

Dit goddelijk licht gaat op in ons eigen hart en herstelt ons naar het beeld des Vaders, wanneer wij vol eerbied naderen tot het Kind en zijn Moeder, — wanneer wij in het offer der mis de Heer aanbidden op zijn altaar en ontvangen aan zijn tafel met een geloof even groot als dat der koningen, die wel een wonderbare ster hadden aanschouwd doch slechts vonden „een Kind in doeken gewikkeld” , hulpeloos en zwak en arm.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *