Het onophoudelijke gebed

98. Maandag na Sexagesima

„Bidt zonder ophouden” ( 1 Thess. 5, 17 ). Vele vrome christenen vragen zich af hoe het mogelijk is deze vermaning van de Apostel op te volgen. Zij klagen er over, dat zij bij alle goede wil niet in staat zijn de vele kortere gebeden door de dag, zoals die voor en na het eten, met de nodige aandacht te verrichten. Zij moeten evenwel bedenken, dat alleen hij die zich gewoon heeft gemaakt innig met God te verkeren, daarin zal slagen. Zij moeten bovendien bedenken, dat het gebedsleven — evenals het gehele geestelijke leven, evenals elk leven — iets is dat langzaam groeit. Wij mogen ook daarop de woorden van het evangelie van de Zondag toepassen: het Rijk Gods is als een zaad en de vrucht wordt alleen voortgebracht in patientia , alleen met veel volharding en geduld ( Lk. 8, 15 ).

1. Het gebedsleven heeft met het groeiende zaad vele punten van overeenkomst. Vooreerst is er dit proces van geleidelijkheid. Het zaad leeft een verborgen leven, het ontkiemt bijna onmerkbaar en als het gewas schuchter boven de bodem verschijnt, dan nog is er een hele periode van groei nodig vóór de volle wasdom is bereikt. Zo moet ook hij die zich het schone ideaal van een waar gebedsleven, van een leven van vereniging met God, heeft voorgesteld, zich voorbereiden op een langzaam en gestadig rijpingsproces. Wij moeten het volmaakte willen, maar wie begint, kan niet in eens het volmaakte verwerkelijken. Zou hij dat proberen, dan zal hij zeker niet slagen en gevaar lopen ontmoedigd te worden: strevend naar datgene wat nu nog boven zijn krachten ligt, zal hij ook datgene nalaten waartoe hij wèl in staat is. Hieruit volgt dat de beginneling zich allereerst moet toeleggen op de noodzakelijke en gewone gebedswijzen en daarin nederig volharden, vurig biddend om méér licht en méér kracht.

2. Een andere overeenkomst met het zaad is hierin gelegen dat de wasdom alleen komt van God. De mens moet het zijne doen, hij moet „planten en besproeien” ( 1 Kor. 3, 7 ), — en deze arbeid is onontbeerlijke voorwaarde. Zo moeten wij trouw onze gebedsoefeningen verrichten, geen minachting hebben voor de door de Kerk goedgekeurde praktijken, ons gestadig oefenen in ingetogenheid en goede geestelijke lectuur zoeken. Maar de zegen komt van boven. De Heilige Geest is het, de inwendige Meester en de zoete Gast der ziel, die ons het zuivere gebed moet leren. Hij zal „voor ons ten beste spreken met zijn onuitsprekelijke verzuchtingen” ( Rom. 8, 26 ), zo wij slechts volharden en op Hem vertrouwen.

3. Ten slotte gelijkt ons gebedsleven ook hierin op het kiemende zaad dat de zaadkorrel slechts door een proces van bederf, van schijnbare dood tot groei en wasdom komt. Wil ons gebed werkelijk een zuiver, een geestelijk gebed worden, dan zullen wij zonder twijfel perioden doormaken van dorheid en duisternis, waarin het zal lijken of ons alle gebed onmogelijk is geworden en of wij alles hebben verloren wat ons vroeger verheugde. „Indien de graankorrel op de aarde valt en sterft, brengt hij rijke vrucht voort” ( Joh. 12, 24 ). Dit woord geldt ook hier. Slechts wie zijn leven verliest, zal het winnen. Wij moeten de moed bezitten en de edelmoedigheid om onze goddelijke Minnaar in het gebed trouw te blijven, ook dan als Hij ons schijnt te verlaten en deze schijn wrede werkelijkheid lijkt. In deze schijnbare dood van wat ons dierbaar is wordt ons werkelijke leven geboren.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *