Het rijk van de Zoon zijner liefde II

376. Zaterdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

Doch slechts in de hemel bestaat het koninkrijk van Christus volmaakt, onbedreigd, onvermengd, onverliesbaar bezeten en zonder zweem van vrees of smart genoten. De Stad Gods op aarde bestaat in strijd en lijden. Zolang de Heer niet is verschenen op de wolken des hemels om zijn uitverkorenen te verzamelen van de vier hoeken der aarde, is er nog de dood, en rouwklacht en geween en pijn. Dan, als Hij komt, zal Hij de tranen wegwissen van onze ogen; dan zal het oude geheel verdwijnen en alles worden vernieuwd. Laat ons, aan het einde van het jaar, ons hart troosten en onze ziel sterken met de beschouwing des hemels.

1. De hemelse gelukzaligheid bestaat in de aanschouwing Gods . „Wij zullen Hem zien zoals Hij is” ( 1 Joh.3, 2 ). In onze aardse staat kunnen wij ons nauwelijks een voorstelling vormen van dit geluk. Wij kunnen het slechts vermoeden, zo wij God liefhebben. „Bij U is de bron des levens, in uw licht zullen wij het licht aanschouwen. Geef mij een minnaar en hij begrijpt wat ik bedoel. Geef mij iemand die verlangt en hongert, die in deze wildernis pelgrimeert en van dorst versmacht naar de bron van het eeuwige vaderland. Zo iemand begrijpt wat ik zeg. Maar als ik voor lauwe en koele mensen moet spreken, verstaan zij mijn woorden niet… De aanschouwing van Gods aanschijn, broeders, is zo zoet en heerlijk dat niets anders ons kan behagen, als wij haar bezitten”

En daarom, helaas, blijven vele christenen zo ongevoelig voor de aantrekking van het paradijs en worden zij slechts bewogen door vrees voor de hellestraf die spreekt tot hun vleselijke verbeelding. Omdat wij toelaten dat de aardse begeerten ons hart in beslag nemen, blijft het gesloten voor de begeerte van het zalige leven. Mochten wij toch door de zuivering van onze zelfzucht de gave Gods leren hoogschatten en onze geest openen voor dat onpeilbaar geluk waarvan God ons in dit leven een voorsmaak wil schenken, juist in en door het verlangen der gekruisigde liefde.

2. Maar het hemelse geluk brengt ook met zich de volmaakte gemeenschap der heiligen. De aanschouwing Gods heeft de innigste vereniging van de ziel met haar Schepper ten gevolge, waardoor zij alleen voor God en in God bestaat. Niets is er buiten God wat haar nog zou kunnen boeien. Maar in God vindt zij allen en allen vinden haar. En deze gemeenschap met allen, dit openstaan zonder grenzen van de zaligen voor elkaar, is geen beletsel voor de meest volkomen en ononderbroken vereniging met God. Hier op aarde moeten wij trachten de schepselen uit onze gedachten en affecten te bannen, willen wij streven naar de vereniging des geloofs met de Heer (ofschoon ook hier de ware beschouwing ons hart opent voor de naaste, maar in de akt zelf kunnen wij niet onze gedachten richten op God en de schepselen tegelijk).

Omdat wij God zullen aanschouwen zoals Hij is , zullen wij in Hem beschouwen en beminnen allen die, evenals wijzelf, door zijn macht en liefde met Hem verenigd werden. In de Stad Gods is geen duister of schaduw; alles is licht en haar licht is God. Niemand heeft er voor een ander geheimen, de verborgenheden des harten, op de oordeelsdag aan het licht gebracht, liggen er onbedekt voor allen, maar niemand zal zich schamen of bedroefd zijn. „Zoals gij nu verlangt dat men uw gelaat ziet, zo zult gij dan begeren dat allen uw geweten doorschouwen” . Want de verheerlijkte littekens van onze zonden zullen Gods glorie verhogen en onszelf niet meer schrijnen. Alles wat ons nu bedroeft zal vernietigd zijn of veranderd in louter heerlijkheid en uit de veelstemmigheid der ontelbaar velen wordt het éne lofgezang geweven, het nieuwe lied der eeuwige liefde voor de Eeuwige.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee