Het verlangen naar God

60. Vrijdag na de Tweede Zondag na Driekoningen

Op de Aeropaag sprak Sint Paulus tot de Atheners: „Terwijl ik rondging door uw stad en uw heiligdommen bezag, vond ik een altaar met het opschrift: „Aan een onbekende god” . Welnu, wat gij vereert zonder het te kennen, dat verkondig ik u” ( Hand. 17, 23 ). De neiging de onbekende God te verkondigen moest ook ons bezielen in de wereld van tegenwoordig die geen altaren meer opricht, zelfs niet voor de valse goden die zij vereert. Franciscus van Assisië kon zich in zijn tijd beperken tot de klacht: „De Liefde wordt niet bemind” , en zijn smart was hevig genoeg om tot radeloosheid te drijven. Ons zou een feller onrust moeten kwellen. God wordt niet eens meer gekend. Hoe velen vormen zich van Hem een waanvoorstelling die zij haten? En oneindig meer zijn er die onverschillig werden voor God en het hiernamaals. Het is deze ontzettende nood der zielen die ons evenmin als hun stoffelijke en sociale nood waarmee zij samenhangt, rust mag laten.

1. Toch zegt Sint Thomas het de oude wijsgeer na, dat God „het eerste Verlangde” is van elk mensenhart. Het verlangen naar God ligt aan de wortel van onze gehele geestelijke werkzaamheid. Want bij alles wat de mens begeert zoekt hij zijn geluk. En zijn geluk bestaat alleen in het bezit van God. Vóór alle redelijke kennis en vóór alle wilsbesluiten is dit ingeboren verlangen naar het volstrekt goede aanwezig, en „God alleen is goed” ( Mk. 10, 18 ). Maar de meesten kennen God niet, stellen zich tevreden met een afgeleid goed dat zij najagen als ware daarin hun volmaakt geluk gelegen. Zij maken hun onbewuste verlangen naar God niet tot een bewuste, sterke en standvastige begeerte die richting geeft aan al hun daden. Zij kennen noch verlangen „de Vader der lichten bij wie geen verandering bestaat of schaduw van wisselvalligheid en van wie alle goede gift en volmaakte gave neerdaalt” ( Jak. 1, 17 ).

2. Zalig zij wier enig begeren God in werkelijkheid is geworden, die niets meer zoeken dan God alleen bij al wat zij nastreven. Zij wier eerste en laatste en gehele verlangen op Hem is gericht, in wie de genade van de Heilige Geest de op de bodem der menselijke natuur sluimerende neiging heeft bewust gemaakt, gezuiverd en mateloos verhevigd. Zij zijn Christus gelijkvormig geworden, want Hij die de Zoon is van nature, kent geen begeren dan de wil van de Vader, zijn eer en zijn heerschappij. De Zoon is niets anders dan één kennen en beminnen van de Vader, in de goddelijke eenheid van de Geest. Daarom zijn ook zij ware kinderen van God, gedreven door de Geest van God, die hun het zalige bewustzijn van het kindschap instort ( Rom. 8, 14-16 ).

Deze gelukkigen weten ook wat bidden is: een woordeloos streven dat opwelt uit het innigst van hun wezen en dat samenvalt met het begeren van de Geest door wie het werd gewekt ( Rom. 8, 26. 27 ); een diep en eenvoudig verlangen dat rechtstreeks, zonder omwegen of aarzeling, op God is gericht en Hem de hoogste eer brengt.

Zij weten ook wat het kruis van Christus betekent. Want het is onmogelijk tot deze zuiverheid van het godsverlangen te geraken zonder verloochening van de zelfzucht. Ook hierin werden zij de Meester gelijkvormig, die wat Hij voor zijn persoon niet behoefde om onzentwil op zich nam. Slechts door lijden en dood zal de christen ingaan tot de heerlijkheid die geen andere is dan de aanschouwing Gods.

Moge de genade van God dit verlangen naar Hem opwekken in onze harten. De duisternis van het geloof waarin wij leven, zal dit begeren dikwijls tot een smartelijk gemis maken, maar zij is geen beletsel voor de zuiverheid en de hevigheid van ons streven.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *