Jahweh’s Knecht

24. Dinsdag na de Vierde Zondag van de Advent

In de schriftlezing van heden lezen wij:
„Ziehier mijn knecht die Ik steun,
mijn uitverkorene in wie mijn ziel behagen schept.
Ik heb mijn geest op Hem gelegd,
de volken zal Hij met recht verkondigen.”

„Hij zal niet roepen of schreeuwen
noch zijn stem verheffen op straat.
Hij zal het geknakte riet niet breken,
de kwijnende vlaspit niet doven.”

„Trouw draagt Hij de wet voor zich uit,
onvermoeid en ongebroken,
totdat Hij op aarde het recht heeft gevestigd.
Zijn lering zullen de eilanden verbeiden.”

( Is. 42, 1-4 ).

Zó is Jezus, die wij opnieuw verwachten. Schonere woorden aan Hem wijden dan de grote profeet hier gevonden heeft, kunnen wij niet. In Gods licht heeft Isaias , vele eeuwen vóór de vervulling, Jezus’ zending geschouwd en op onnavolgbare wijze heeft hij aan zijn profetische visie uitdrukking gegeven. Zózeer dat wij, die leven na de vervulling en deze werkelijkheid kennen als geschiedenis, de geest van Christus en van zijn zending niet juister of dieper vermogen weer te geven. In de tijd van de Advent verplaatsen wij ons met de Kerk opnieuw in de eeuwen der verwachting, omdat het kerstfeest, de komst van de Zaligmaker, opnieuw nabij is, omdat God altijd komende is en Jezus’ werk, dat „de eilanden verbeiden” , nimmer voltooid. Met zulk een ingesteltenis willen wij Isaias ‘ woorden aanhoren, opdat het verlangen naar God en zijn Rijk (de ware voorbereiding op het kerstfeest) onmetelijk in ons moge groeien.

1. De Heer is Jahweh’s Knecht, dat is: zijn uitverkoren dienaar. Hij is de Zoon, aan God gelijk, maar Hij heeft de knechtsgestalte aangenomen. Zijn leven was dienst van God, zijn werken was geheel gericht op de heerschappij Gods. Het Rijk der hemelen vervulde Hem, zich zelf behaagde Hij niet. En daarom rustte op Hem Gods welbehagen. Op de Beminde ( Eph. 1, 6 ) heeft zich Gods liefde saamgetrokken, aan Hem was de volheid van Gods geest medegedeeld. Zo toegerust heeft Hij zijn zending uitgevoerd, een zending van zachtmoedigheid en heil, van ongebroken trouw aan de redding der „volken” . De kennis van God heeft Hij gebracht aan de verdoolde mensheid, „onvermoeid” , ten einde toe.

2. O, de onvergetelijk woorden! „Hij zal het geknakte riet niet breken.” De lankmoedigheid Gods is in Hem verschenen. Wanneer wij in de nacht de komst van het Kind opnieuw gaan vieren, weten wij hoe waar dit is. Dit is christendom: de mens, die aan geen mens wanhoopt, die geen mens verstoot noch breekt.

„Komt allen tot Mij die vermoeid en beladen zijt.” Jezus vraagt van ons niet dat wij sterk zouden zijn en ongebroken (zoals Hij zelf is), Hij vraagt slechts dat wij onze zwakheid niet verbergen, dat wij erkennen „geknakt te zijn” . Hij zal het laag smeulende pitje van onze goedheid niet doven, maar het met oneindige tederheid behoeden en aanwakkeren tot een sterke brand.

De Heer is geduldig en zachtmoedig. Nog is er redding en heil voor de volken en voor ieder van ons. Elk kerstfeest bevat de genade van Gods komst, onvermengd en zuiver als de eerste keer. Zijn arm is niet verkort, zijn goedheid neemt geen einde. Hij blijft Dezelfde, gisteren, heden en in eeuwigheid. Elk jaar weerklinkt dat zalige „Heden zult gij weten dat de Heer komt en ons redden zal” ( introitus van de vigilie). Mochten de volken erkennen wat hun tot heil strekt. En mogen wij zelf de genade der heiligheid die zijn liefde ons met sterke aandrang biedt, niet verwerpen.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *