Jeruzalems heil

14. Zaterdag na de Tweede Zondag van de Advent

„Jerusalem, rijs op, bestijg de hoogte en aanschouw de vreugde die God u zendt.” ( Bar. 5, 5; 4, 36 ; communio van de Zondag).

De profeet spreekt in de naam van God tot de heilige stad die verweesd en verlaten ligt, beroofd van haar luister, nu haar edelste zonen en de rijkdom van Gods huis zijn weggesleept naar de ballingschap van Babylon. Hij troost haar: het einde van de smaad en de ellende is nabij. Zij moet de Olijfberg beklimmen en „haar blikken slaan naar het Oosten” . Zij moet „oprijzen” uit haar vernedering en „de hoogte bestijgen” . Dan zal zij aan de verre horizon haar heil zien naderen, „de vreugde die God haar zendt” : haar kinderen keren weer uit het vreemde land. Zij die zich verlaten waande wordt weer vruchtbare moeder van vele zonen. Haar glorie zal glanzen over de aarde, de luister des Heren zal haar licht zijn.

Zó voelt zich de Kerk, onze Moeder, het geestelijke „Jerusalem van omhoog” , in de tijd van de Advent. Elk jaar opnieuw droomt zij van het „zalig visioen des vredes” dat haar eigen lot is en haar goddelijke bestemming. Ook zij is verlaten en verweesd, zolang haar heil uitblijft en de Heer nog komende is. Het is waar: zij is de vreugdenrijke en vruchtbare Bruid des Heren, de Verlosser is gekomen. Maar zij verplaatst zich elk jaar enige weken in de tijd der voorbereiding, in de tijd der vurige verwachting, als was de Heer nog niet gekomen, om zo de herdenking van zijn komst op aarde des te inniger te vieren. En wél symbolisch is deze Advents-stemming. Want zij, de Moeder van vele volken, de Kerk uit Joden en heidenen, gedenkt met smart de kinderen die haar kinderen niet willen zijn. De Stad Gods rouwt om haar zonen die verre verblijven van haar zalige pleinen; de schaapstal staat open voor de kudden die haar grazige weiden versmaden. Zij heeft vruchten des levens voor alle mensen, maar haar gaven worden verworpen. Hoe smartelijk voelt zij dit gemis, – en hoe smartelijk wordt dit geaccentueerd in de radeloosheid van deze tijden! En haar laatste en grootste, alles omvattende en alles in zich sluitende onvoldaanheid is geen andere dan het kreunende verlangen der kinderen Gods naar het volmaakte zoonschap, niets anders dan de vurige verzuchting der Moeder en der kinderen naar de komst van het Godsrijk. „De Geest en de Bruid roepen: „Kom!” ( Openb. 22, 17 ).

Ach, daar is de goddelijke belofte die niet wankelt. Bij tijden wordt ons geloof bijna een zien: „Aanschouw de vreugde die God u zendt” . En bij tijden is ons geloof niets dan duisternis, een laatste vasthouden aan Gods woord dat blijft in eeuwigheid, overwoekerd als het lijkt door al het wee en al het kwaad van deze wereld en gedragen door een zo broos creatuur, een sidderend riet als onze zwakheid is. Scharen wij ons rond de Stad Gods, schuilen wij weg in de schaduw van onze Moeder, het hemelse Jerusalem. Geloven wij in de belofte Gods. Ach, „de vreugde die de Heer ons zendt” . Welke vreugde, Heer? Uw komst en de volmaakte gemeenschap der heiligen. Geef ons geduld en geloof. Geef ons te volharden bij U. Geef ons uw Kerk te dienen en haar heil, uw glorie, te verkondigen aan allen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *