Leven en dood

307. Vijftiende Zondag na Pinksteren

God heeft de macht om aan wat niet is het aanschijn te schenken en de doden terug te roepen tot het leven. Het zo menselijke en ontroerende toneel dat Sint Lukas in het evangelie van deze Zondag met korte woorden schetst, toont ons het goede Hart van de Zaligmaker die door medelijden bewogen de weduwe haar enig kind teruggeeft, maar het toont ons tevens de macht van Hem die souverein beschikt over leven en dood. Hij raakte de baar aan en zei eenvoudig: „Jongeling, Ik zeg u: sta op” ( Lk.7, 14 ). God alleen is de meester van het leven. „De Heer doet sterven en laat leven, zendt naar het dodenrijk en voert terug” ( 1 Sam.2, 6 ).

En toch is deze opstanding uit de dood die de mensen buiten zichzelf bracht van verwondering niet veel meer dan een beeld van de wonderwerking waardoor God de zondaar tot eeuwig leven wekt, hem heiligt en eenmaal het verheerlijkte lichaam der verrijzenis zal schenken. Wij allen waren dood en werden in het doopsel ten leven opgewekt. De Heer wil dit leven in ons voeden en sterken van dag tot dag. „Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees voor het leven der wereld” ( Joh.6, 51 ; communio ). Zó wil de Kerk ons het evangelie doen verstaan. Maar dit geestelijke inzicht valt onze botte geest zwaar, die hangt aan uiterlijke en tijdelijke dingen. De dood van de ziel, aangrijpende realiteit, nemen wij niet waar. Alleen lichamelijk doden gaan over tot bederf, dat door allen te constateren valt. Sommige heiligen onderscheidden de zondaars aan een afgrijselijke stank. Ook de heerlijkheid van het nieuwe leven dat God ons gaf, blijft voor de natuurlijke mens verborgen. Bidden wij om vermeerdering van geloof opdat geestelijk leven en geestelijke dood, eeuwig leven en eeuwige dood voor ons worden allesbeheersende waarden en werkelijkheden. Of een mens, of onze dienaren, of wijzelf dit eeuwig leven bezitten, is de factor die het geluk bepaalt: niet gezondheid noch bezit noch liefde noch wat ter wereld ook, zo dit éne heil ontbreekt of geweld lijdt.

2. „Wij zijn ten leven gewekten, opgestaan van de doden, weergegeven aan onze Moeder, de Kerk. Ook zij is, zegt Ambrosius , in deze tijd weduwe; want zij ziet haar Heer nog slechts onder de sluier der mysteriën, niet van aangezicht tot aangezicht. Onophoudelijk vloeien haar tranen om de geestelijk gestorvenen, totdat de Heer zich erbarmt en spreekt: „Ik zeg u: sta op!” Voor elke heiden, voor iedere goddeloze en afgevallene bidt zij als een eenzame moeder voor haar enige zoon. Hoe menige opstanding en bekering verkrijgen deze moederlijke tranen dagelijks van haar Heer! Wij staan rond het altaar, gereed het offer van Christus te vieren. Doch hoevelen missen wellicht de schone en blijde kracht van het gezonde Christus-leven! Hoevelen menen te staan en te gaan, maar in werkelijkheid worden zij op de baar binnengedragen. Hun Christus-leven is verkommerd en verstard tot dodelijke stijfheid. „Wat is uw graf anders dan een slechte levenswandel? Uw graf is het leven zonder geloof” ( Ambrosius ). Deze ongelukkigen kunnen zelfs niet meer om hun ellende wenen. Maar voor hen en om hen weent aller Moeder, de Kerk. In de introitus klinkt haar roepen en smeken voor die gestorven kinderen: „Neig uw oor tot mij, o Heer, en verhoor mij. Genees, o God, uw knecht die op U vertrouwt. Ontferm U mijner, Heer, tot U roep ik de ganse dag” ( Ps.85, 1-3 ). Haar stem leent zij de dode, die vlees van haar vlees is, een lidmaat van haar lichaam … Laat ook ons roepen en wenen tot de Heer, nu Hij tegenwoordig is, opdat Hij onze broeders, de kinderen der Kerk, van de doden moge opwekken.”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee