Nederigheid

230. Vierde Zondag na Pinksteren

In het evangelie van heden wordt verhaald hoe Simon Petrus en de zijnen op Jezus’ woord het net uitwerpen, ofschoon zij de hele nacht vergeefs hadden gearbeid. „En toen zij dit gedaan hadden, haalden zij een groot aantal vissen binnen en hun netten dreigden te scheuren. En zij wenkten hun makkers in het andere schip, dat zij hen zouden komen helpen. En dezen kwamen en zij vulden beide schepen tot zinkens toe.” Het is begrijpelijk, dat dit wonder op Petrus , de visser, met zijn spontane natuur, een diepe indruk maakte. Toch komt ons misschien zijn reactie merkwaardig voor. „Toen Simon Petrus dit zag,” zo gaat het evangelie verder, „viel hij neder aan de knieën van Jezus en zeide: „Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens” ( Lk. 5, 6-8 ). Wij zouden kunnen vragen: wat heeft zijn zondigheid hiermee te maken? Denkt hij wellicht aan een bepaalde misslag? Zonder twijfel niet. Doch hoe zuiver voelt hij de situatie aan! Hij is zich niet een bepaalde zonde bewust, maar zijn zondigheid; hij is zich eensklaps fel bewust dat hij hier staat tegenover een openbaring van het goddelijke, van het volstrekt heilige. Het is hetzelfde diep religieuze gevoel dat Isaias , de profeet, bij zijn roepingsvisioen doet uitroepen: „wee mij, ik ben verloren! Want ik heb met eigen ogen mijn Koning, Jahweh der heirscharen, aanschouwd, ik een mens met onreine lippen en verblijvend onder een volk met onreine lippen” ( Is. 6, 5 ). De afstand tussen God en de mens is oneindig en er zijn ogenblikken (begenadigde en ontstellende tegelijk) dat deze onvergelijkbaarheid zich aan de geest des mensen opdringt met de felle klaarte van een bliksemschicht.

2. Toen de rijke jongeling Jezus als „goede Meester” had aangesproken, antwoordde de Heer, bijna ruw: „Wat noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen” ( Mk. 10, 18 ). Alle mensen zijn uit zichzelf zondig en slecht. „Indien gij dan, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen …” ( Mt. 7, 11 ). Deze woorden van onze zachtmoedige Meester mogen ons enig denkbeeld geven van de volstrekte noodzakelijkheid der nederigheid. De mens is altijd opnieuw geneigd zichzelf te vergelijken met anderen en zich hoger te achten dan die anderen. Al deze vergelijkingen zijn uit den boze. Laat hij zich vergelijken met God en vernietigd zwijgen. Dan blijft hem geen ander woord dan: „Ga weg van mij, Heer” . Al zou ik mijn hele leven geen zware zonde bedrijven, dan nog moet ik mij diep vernederen voor de oneindige Majesteit. Ik moet weten dat ik het alleen aan Gods genade en de omstandigheden, dat is, aan zijn voorzienigheid dank, als ik niet val in de zonde welke anderen bedrijven. „Ik ben een zondig mens” : allen zijn wij dat. Nederigheid bestaat nooit in een valse houding of onechtheid; ze is een realiteitszin en -erkenning in het geestelijke. Maar als ik de geestelijke werkelijkheid van Gods wezen en het mijne enigermate doorschouwde, zou zich een grondeloos diepe deemoed en een huiverende eerbied van mij meester maken, zonder dat daarin ook maar iets geforceerds aanwezig was.

3. De nederige en minnende ziel voelt zich in het gebed als door een tegenstrijdige beweging aangegrepen. Zij wordt tot God getrokken met een onstuimig verlangen als tot haar enig goed, maar tegelijk blijft zij zich haar grenzeloze onwaardigheid bewust, die haar te midden der goddelijke liefdegaven doet uitroepen: „Heer, ga weg van mij.” Maar wil zij werkelijk, dat de Heer weggaat? Haar enig begeren is bij de Heer te zijn; haar enige smart dat zij nog altijd moet zeggen: „Ga weg van mij” , tot de grote zuivering zal zijn voltooid en zij het lied der ongestoorde liefde zingen mag: „Mijn Beminde is mijn en ik ben van Hem” ( Hoogl. 2, 16 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *