Oogappel van Jezus’ geboden

362. Zaterdag na de Twee en twintigste Zondag na Pinksteren

Zo mogen wij de naastenliefde noemen. Wij herinneren ons zonder moeite de vele woorden van de Zaligmaker en van de Schrift , waarin ons die liefde wordt aanbevolen als het kenmerk bij uitstek van de christen en waarover wij in de loop van het jaar meermalen nadachten. Deze liefde richt zich in de eerste plaats tot de broeders en zusters in Christus, maar dan ook tot alle mensen, onze vijanden niet uitgezonderd. Gisteren hebben wij ons bezonnen op onze verhouding tot de „schepselen” . Onder deze nemen de mensen de voornaamste plaats in. Willen wij de klippen vermijden waartussen als een hoge top de volmaaktheid oprijst, dan moeten wij onze naasten van harte beminnen en tevens op bovennatuurlijke wijze. Als onze onderscheiding van de twee soorten mensen enig bestaansrecht heeft, dan moet hun onderscheid zeker blijken in het punt van de naastenliefde. De eerste groep, de meerderheid, die al te gemakkelijk het hart voor het geschapene wijd openzet, zal ook zonder moeite de naasten, althans velen van hen, beminnen, maar op al te menselijke wijze, niet waarachtig in Christus. En de minderheid, zij wie een wat hooghartige afgezonderdheid van de massa niet zwaar valt, zullen dikwijls in ’t geheel niet aan de liefde voor anderen, welke dan ook, toekomen. Het ideaal dat Jezus ons als zijn gebod voorhoudt bestaat in de onvoorwaardelijke liefde jegens allen, om wille van Hem. Maar dan toch allereerst in liefde, in affectieve en werkdadige goedheid. Zou men moeten kiezen tussen ongezuiverde goedheid en zindelijke hooghartigheid, dan zou, geloof ik, de keus in Jezus’ geest niet moeilijk zijn. Wie eenvoudig en echt goed is voor een ander moet zich om de beweegredenen van zijn goedheid het hoofd maar niet breken.

O zeker, het motief bepaalt de zedelijke waarde van onze daden en wij willen al dan niet verkapte eigenbaat mijden als een gevaarlijke ziekte. Maar ik zeg: wie eenvoudig en echt goed is voor een ander. Eenvoudig, dus zonder bijgedachten en achterbakse motieven, en echt, dus onbaatzuchtig, het waarachtig geluk van de ander nastrevend. Is het alleen maar ijver voor Gods eer die ons een naaste doet vermijden? Denken wij werkelijk een ander te verbeteren door hem, als overste of hoe dan ook, uit de hoogte te bejegenen? Weten wij zo zeker dat het liefde is die ons drijft tot hardheid en straf? Ik geloof dat, vooral onder religieus en theologisch gevormde personen, het onderscheid tussen natuurlijke en bovennatuurlijke liefde, hoe juist het theoretisch moge zijn, niet altijd vruchtbaar werkt. Laten wij niet vergeten dat ook bovennatuurlijke naastenliefde vóór alles liefde is en dat, uitzonderingen daargelaten, vriendelijkheid en goedheid de normale uitingen van liefde zijn.

Maar zonder twijfel geldt ook bij deze materie dat hoe zuiverder het motief is des te waarachtiger de deugd zal zijn. Het is evenwel niet heilzaam beweegreden en daad te zeer van elkaar te onderscheiden; zij vormen immers een natuurlijke eenheid. Wie werkelijk tracht voor iedereen, die hij ontmoet goed te zijn, zal wel bemerken dat hem dit alleen zal gelukken in de kracht en de liefde van Christus. Hij zal ervaren dat de christen die zijn medemensen eerlijk liefheeft, dit doet om Christus’ wil, ook al zal hij zich daarvan niet altijd bewust zijn. „Wat gij de minste der mijnen doet, hebt gij Mij gedaan.” En hij zal ook iets ondervinden van de waarheid van het psalmwoord dat wij zongen in het graduale van de Zondag: „O, hoe goed en hoe lieflijk als broeders eendrachtig te samen wonen! Als kostelijke olie op het hoofd, die neerdruipt in de baard, de baard van Aäron ( Ps.132, 1. 2 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)