Priesterlijke heiligheid

163. Woensdag na Beloken Pasen

Op paasavond verscheen Jezus aan zijn apostelen en Hij toonde hun zijn handen en zijde om de waarachtigheid van zijn verrijzenis te bewijzen. Daarna „sprak Hij opnieuw tot hen: „Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” Na deze woorden blies Hij over hen en Hij zeide: „Ontvangt de Heilige Geest. Wier zonden gij zult vergeven, hun zijn zij vergeven en wier zonden gij zult behouden, hun zijn zij behouden” ( Joh. 20, 19-23 ; evangelie van de zondag). Overwegen wij de waardigheid en betekenis van het priesterschap.

1. „Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” Deze woorden door Jezus tot de apostelen gericht, zijn van toepassing op de zending en de roeping van het priesterschap in de Kerk, dat in zijn volheid bepaalde en voorname aspecten van de zonding der Twaalf voortzet. Het is een zending van Godswege tot de mensen naar het model van Jezus’ eigen zending. God zendt de priester. „Niemand kan zich die waardigheid toeëigenen; zij komt van Gods roeping alleen” ( Hebr. 5, 4 ). God staat achter de priester . Hij mag dit zelf bij zijn priesterlijke functies nooit vergeten en ook de gelovigen mogen dit nooit vergeten. Groot geloof is hier van node. Hij wordt gezonden tot de mensen; hij is niet priester geworden voor zichzelf. „Want iedeere hogepriester wordt uit de kring der mensen genomen, en ten bate der mensen aangesteld voor hun betrekkingen tot God, om gaven en offers te brengen voor hun zonden” ( Hebr. 5, 1 ). Voor hun betrekkingen tot God: de eigenlijke sfeer van de priesterlijke werkzaamheid is hiermee aangegeven. De priester is dienstbaar aan de mensen, middelaar en helper van Godswege, voor hun geestelijk heil . Dit is de heiligheid van zijn ambt. Hij moet de mensen brengen tot God en Gods openbaring en Christus’ heil aan de mensen. De gelovigen verwachten ten slotte van de priester niets anders dan dit. De wereld zelf verlangt er vurig naar in de priester Christus te kunnen herkennen. De mens in hem moet schuil gaan achter het authentieke Christusbeeld. Hij mag niet zichzelf brengen aan de mensen, maar Christus. Hij moet niet zichzelf zoeken, maar Gods glorie en Gods koninkrijk. Dit zijn de hoge eisen van het priesterschap. Mogen de priesters edelmoedig en standvastig blijven streven naar de volmaaktheid, zoals hun roeping gebiedend eist. Mogen de christenen met groot geloof in hun priesters het verheven ambt en de goddelijke zending zien.

2. „Ellende en grootheid van de mens” Aan zijn priesters vertrouwde Christus het sacrament toe van zijn lichaam en bloed. Hij stelde hen aan tot offeraars van het Nieuw Verbond . Hij gaf hun de macht om zonden te vergeven. Hij legde in hun handen de zorg voor zijn mystiek Lichaam, zijn schapen, die zij moeten behoeden voor wolf en rover en leiden naar de beemden van het eeuwige leven. Hij schonk hun zijn goddelijk woord en de schatten der openbaring. — En zelf blijft de priester de arme en wankele mens die wij allen zijn. Hij moet met Sint Paulus zeggen: „Wij bezitten deze schat in lemen vaten; duidelijk blijkt, dat de overvloed van kracht van God komt, en niet van onszelf” ( 2 Kor. 4, 7 ).

3. „Ze zeggen soms: „Er zijn te weinig priesters.” Maar dat is eigenlijk niet zo. Wel zijn er te weinig heilige priesters. De wereld is niet meer te raken door een alledaags priesterleven. Gij weet niet wat het een seculier priester kost, zijn priesterlijk ideaal ongerept en onverminderd te bewaren te midden zijner familie, te midden ener parochie of ener stad, waar hij doorgaans alleen staat met zijn onbegrepen verlangens … Komt toch het priesterkuddeke te hulp” ( Edward Poppe ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *