Prins Jezus

340. Vrijdag na de Negentiende Zondag na Pinksteren

„Jezus zeide: „Dit is een beeld van het rijk der hemelen: Er was eens een koning die een feest gaf voor het huwelijk van zijn zoon…” ( Mt.22, 1 ; evangelie van de Zondag).

1. De koning is God en de zoon van de koning is Christus. Prins Jezus, koning evenals de Vader. Wij bidden in de messiaanse psalm: „Geef, o God, uw recht aan de koning en uw gerechtigheid aan de koningszoon. Hij richte eerlijk uw volk en uw ellendigen met billijkheid. Dat de bergen vrede dragen en dat de heuvelen met gerechtigheid worden bekleed” ( Ps.71, 1-3 ). Johannes noemt Christus in de Openbaring „de Heer der heren en de Koning der koningen” ( 17, 14 ). Paus Pius XI stelde een speciaal feest in van Christus’ koningschap.

Wij leven in een tijd die de ridderlijke trouw aan de vorst bij Gods genade bijna niet meer kent. In de staatkundige theorieën van tegenwoordig spreekt men van de volkssouvereiniteit, van het gezag dat van onder komt en aan de volkswil zijn recht ontleent. Ook in landen waar men het koningschap nog kent en eert, is zijn reële betekenis sterk verminderd en bezit het niet veel meer dan zinnebeeldige waarde. De gezagsidee heeft ontzettend geleden. Het juiste begrip en het diepe gevoel van een volstrekte heerschappij, van een gezag dat boven alles staat en aan geen kritiek onderhevig is, zijn bij zeer velen verloren gegaan.

Toch is het juist zulk een heerschappij die wij aan Christus toekennen, als wij Hem, talloze malen in liturgie en geloofsbelijdenis en in bijna alle gebeden, onze Heer noemen. Dat is de naam boven alle naam ( Phil.2, 7 ) die wij Jezus van Nazaret geven, uitdrukking van de volstrekt enige betrekking die er bestaat tussen Hem en de zijnen. „Heel Israël wete dat God diezelfde Jezus, die gij hebt gekruisigd, tot Heer en Christus heeft gesteld,” zo spreekt Sint Petrus , als het christendom voor het eerst in de openbaarheid verschijnt ( Hand.2, 36 ). Deze naam beduidt dat de verheerlijkte Zaligmaker deelt in de macht en majesteit van God zelf en daarom recht heeft op onze aanbidding en onvoorwaardelijke onderwerping. Zijn dienaar te heten is voor de christen een eretitel. „Geen van ons leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf. Zolang wij leven, leven wij voor de Heer en als wij sterven, sterven wij voor Hem. Onze Heer behoren wij toe in leven en in dood. ( Rom.14, 7. 8 ).

2. En Jezus zegt dat de Vader de mensheid nodigt op zijn huwelijksfeest. De dienaren van de Heer zijn de gasten op zijn bruiloft. Het is een feest voor de ziel Hem te mogen toebehoren. Paulus jubelt als hij zich slaaf van Jezus Christus noemt. Want deze dienst wordt onze bevrijding, „naar ziel en lichaam opbelemmerd, en met vrije geest mogen wij volvoeren wat Hij verlangt” (oratie van de Zondag).

De dienst van Jezus maakt ons vrij, zodra hij zonder reserve en van ganser harte wordt betoond. Want wij zijn dienaren die tevens geliefden zijn. „Zo gij alles doet wat Ik u beveel, zijt gij mijn vrienden” ( Joh.15, 14 ). In de zuiver menselijke orde is zo iets niet mogelijk, maar de verhouding die er bestaat tussen Jezus en ons vat alles wat er schoons en goeds leeft onder mensen in zich tezamen en overtreft het oneindig in de kracht van zijn genade. Hem dienen uit liefde bindt ons geheel en bevrijdt ons, kruisigt ons en maakt ons gelukkig. Jezus is voor de heiligen de meest volstrekte Heerser en tevens de mateloos beminde God. Moge Hij het ook zijn voor ons!

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)