Vreugde in de Heer

15. Derde Zondag van de Advent

„Broeders, verheugt u in de Heer, nogmaals verheugt u!” Het zijn de beginwoorden van het epistel die, in de introitus herhaald, de naam hebben gegeven aan de derde Zondag van de Advent en het karakter van vreugdevolle verwachting van Zondag Gaudete bepalen. „Uw minzaamheid worde aan alle mensen bekend” : een eerste gevolg van die christelijke vreugde is beminnelijkheid tegenover allen zonder uitzondering. „De Heer is nabij” : het grote motief van onze blijdschap. „Weest over niets bezorgd” : een ander gevolg der vreugde in de Heer. Geen angstige zorg, geen „bezorgdheid” mag ons kwellen, zo wij blijmoedig op God vertrouwen en Hem als eenvoudige kinderen „al onze wensen kenbaar maken door gebeden en smekingen tegelijk met dankzegging” (die Paulus nooit vergeet) ( Phil. 4, 4-6 ; epistel).

1. Waarin bestaat die zuivere vreugde in de Heer? Zien wij eerst waarin zij niet bestaat. Waaruit komt gewoonlijk onze blijdschap voort? Vindt zij niet bijna altijd haar oorsprong in ons zelf veel meer dan in Jezus? Rekenen wij niet vrijwel immer van onszelf uit, niet vanuit de Heer en zijn belangen? En zijn het niet vooral de tijdelijke en tastbare dingen van onszelf die ons blij maken? Wij zijn gemakkelijk en spontaan verheugd, omdat wij promotie maken, omdat ons een financieel buitenkansje te beurt valt, omdat ons een gezellige avond wacht, omdat wij de genegenheid van een mens hebben gewonnen, omdat kunst of wetenschap onze geest bekoren. Het zij verre dat wij deze vreugden als zondig zouden beschouwen (want over de eigenlijk zondige genoegens willen wij zwijgen), maar zij zijn toch zonder meer niet de christelijke blijdschap waarvan de Apostel spreekt.

2. Wat Sint Paulus bedoelt, is, zonder dat daarom menselijke vreugde wordt uitgesloten ( „houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar, op al wat edel, rechtvaardig, rein, liefelijk en welgevallig is, op al wat deugd heet en lof verdient” , Phil. 4, 8 ), toch iets van hoger gehalte. Hoogste en ten slotte enige vreugde van de Apostel is „heen te gaan en met Christus te zijn” , wat „veel en veel beter is” zelfs dan apostolische arbeid ( Phil. 1, 22. 23 ). De geheel reine vreugde op aarde, de ware „blijdschap in de Heer” kan dus slechts bestaan in betrekking tot deze laatste en definitieve vreugde van de hemel: zij is, op een of andere wijze, uitzicht en vaste hoop op de eeuwige zaligheid, voorsmaak van het zijn bij de Heer. „In hoop zij wij verlost” ( Rom. 8, 24 ), ons leven op aarde is een leven in hope méér dan in bezit, al hebben wij reeds de „eerstelingen des Geestes” ontvangen. Maar „deze hoop wordt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest die ons geschonken is” ( Rom. 5, 5 ). Onze hoop is in de Heer en niet gebouwd op mensen. Daarom kan zij vaste basis zijn van onverwoestbare vreugde, te midden van strijd en smart. En deze christelijke blijdschap weet de aardse vreugde, zonder haar te vernietigen of te denatureren, haar verheffend in zich op te nemen. Zegende de Heer niet de kinderen en prees Hij niet de bloemen des velds, Hij, die het huwelijk verdedigde en verhief? En in de geestelijke eredienst der Kerk looft de hele schepping Gods naam.

3. Wie is waarlijk verheugd tenzij hij die bemint? Liefde schenkt blijdschap, zelfs in het lijden. Dit is het geheim van de vreugde der heiligen. Zij waren blij gestemd te midden van hun kwellingen, omdat zij Jezus liefhadden en wisten, dat zij daardoor als ware vrienden aan Hem gelijkvormig werden. Dit is een onaardse vreugde, die zichzelf vergeten heeft.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *