Vrijheid voor God

255. Donderdag na de Zevende Zondag na Pinksteren

„Maar nu, vrijgemaakt van de zonde en dienaren van God geworden, oogst gij als vrucht uw heiliging en uw einde is eeuwig leven. Want het loon der zonde is de dood, maar de gave van God is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer” ( Rom. 6, 22. 23 ; epistel van de Zondag).

1. „Het is van weinig belang of een vogel aan een sterk of aan een zwak koord vastzit. Want ook een zwakke band zal, zolang hij niet verbroken is, de vogel gevangen houden. Zo vergaat het de ziel die niet onthecht is, ook al is de zaak die haar bindt van zeer weinig betekenis.” De vrijheid der kinderen Gods is het allerkostbaarste goed; zij wordt daarom duur gekocht, eerst door het bloed van Jezus, dan ook door het hartebloed van christelijk lijden en christelijke versterving. Als de heilige Paulus aan de Romeinen schrijft dat zij slaven waren van de zonde maar nu dienaren zijn geworden van God, bedoelt hij dat in een volstrekte zin. Het christelijk leven slaagt slechts ten volle daar waar alle banden met de zonde worden verbroken en de onderwerping van geest, wil en daad aan God volkomen is. Dan allen wordt de rijpe vrucht geoogst van heiliging en eeuwig leven. Daarom ook hebben wij het recht de spreuken van de heilige Johannes van het Kruis naast de brieven van de apostel te leggen, want zij kunnen ons verduidelijken wat Paulus bedoelt met het sterven en het leven van de christen.

2. „Eén enkele gedachte van de mens is meer waard dan het heelal; daarom verdient God alleen dat wij aan Hem denken.” Zo deed Jezus; als Hij sprak, was het over de Vader in de hemelen en zijn heerschappij. Jezus’ geest was van God vervuld. God was in Hem de eerste en de laatste en alle geschapen dingen werden tot Hem teruggebracht. De bloemen en de vogels verkondigden voor Jezus de voorzienigheid Gods, kinderen beelden het kindschap Gods uit, het koren de groei van zijn koninkrijk. Zieken tonen Gods goedheid aan, demonen zijn macht, de zondaars zijn erbarming, lijden en dood verzoenen met God en doen aan het kruis Jezus’ onverbrekelijke vereniging met de Vader heller uitstralen dan ooit.

Want dit is het eeuwige leven dat zijn genade ons schenken wil in Christus Jezus: Hem te kennen en Degene, die Hij gezonden heeft. Dit kennen is een liefderijk in de geest aanhangen, een altijd minnend voor ogen stellen, een steeds weer rustig rusten in dit centrum van ons hart, een trouw en smartelijk alles aan Hem geven en wedergeven en overlaten, soms ook een berouwvol terugkeren; en niet aflaten Hem aan te zien, geboeid en gebonden als wij zijn door de liefde zonder grenzen, die ons in Jezus openbaar is geworden.

En zo is onze heiliging . Wat immers is de genade anders dan dit? Wat is zij anders dan het eeuwige leven begonnen in de duisternis van het geloof? Wat is zij anders dan Jezus’ leven in ons? Zij is, in de volwassene, niet een toestand of een ding, dat zou kunnen bestaan en vermeerderen buiten de werking van onze geest om. De heiligmakende genade bestaat toch hierin dat wij in Christus Jezus God mogen kennen en beminnen een weinig zoals Hij zichzelf kent en bemint. Kan deze heiliging waarvan de apostel spreekt en welker einde het eeuwige leven is en die het wezen uitmaakt van ons christelijk leven, bestaan zonder dat andere: zonder de dood aan de zonde, het sterven aan onszelf en de wereld? Is zulk een leven mogelijk zonder de ingetogenheid, de soberheid, en de rechte en eerlijke eenvoud van ons leven hier op aarde? Laten wij ons niets wijsmaken: geen mens kan twee heren dienen. Wie zijn hart wegschenkt aan de schepselen ontsteelt het aan God. Wie zijn geest vervult met de dingen der aarde vergeet zijn Schepper. God moet ook voor ons de eerste en de laatste zijn, allermeest in ons denken en verlangen en beminnen, ook hier in deze aardse tijd. En wij behoeven niet te vrezen dat wij de mensen en de dingen zullen haten of verwaarlozen. Wij zullen ze aldus veeleer liefhebben, op de enig juiste wijze. Wanneer God ons bevrijdt van de ongeregelde gehechtheid aan al wat geschapen is, in deze christelijke vrijheid alleen, verkrijgen wij de rechte verhouding tot al wat ons van nature dierbaar is. Zó vinden wij alles in God bij wie niets wat goed is verloren gaat.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *