Boek II Hoofdstuk 5 Over het letten op zichzelf

 

Wij mogen onszelf niet teveel betrouwen, want dikwijls ontbreekt ons genade en verstand. Een zwak lichtje maar schemert in ons, en dat verliezen wij gauw door onachtzaamheid. Wij merken het dikwijls niet, dat wij geestelijkerwijze zo blind zijn. Wij doen dikwijls kwaad, en nog erger, wij willen ons verontschuldigen. Wij worden somtijds door onze driften gedreven, en wij menen dat het ijver is. Wij berispen kleine gebreken in anderen, en onze grovere misdrijven zien wij over ’t hoofd. Wij gevoelen en wegen heel vlug wat wij van anderen te lijden hebben; maar wat anderen van ons uitstaan, merken wij niet. Wie goed en zuiver zijn eigen leven oordeelde, zou ondervinden, dat hij geen reden heeft om een ander streng te oordelen.

Een inwendig mens stelt de zorg van zichzelf voor alle andere zorgen; en die op zichzelf naarstig let, zal licht over anderen zwijgen. Nooit zult gij tot innige godsvrucht geraken, tenzij gij over de anderen stilzwijgt, en bijzonder op uzelf let. Indien gij God en uzelf alleen voor ogen hebt, zo zal ’t u weinig ontstellen, wat gij uitwendig ziet. Waar zijt gij, als gij bij uzelf niet zijt? En als gij alles doorlopen en uzelf verwaarloosd hebt, wat hebt gij dan gewonnen? Indien gij de vrede en de ware ingetogenheid moet hebben, zo moet gij alle dingen ter zijde stellen, en alleen u met uzelf bekommeren.

Gij zult derhalve grote vorderingen maken, indien gij u van alle tijdelijke zorg ontheven houdt. Gij zult sterk achteruitgaan, indien gij iets tijdelijks op prijs stelt. Houd niets voor groot, voor verheven, voor aangenaam, dan God alleen, of wat God aangaat. Acht al de troost, die u van enig schepsel moge overkomen, als iets ijdels. Een Godbeminnende ziel versmaadt al wat beneden God is. God alleen, die eeuwig en oneindig is, en die alles vervult, is de troost der zielen en de ware blijdschap des harten.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)