Boek III Hoofdstuk 19 Hoe men beledigingen moet verdragen, en wie zich waarlijk geduldig toont

CHRISTUS. – Zoon! Wat hebt gij te zeggen? Houd op met klagen, en let op mijn lijden en dat van mijn Heiligen. Gij hebt nog niet weerstaan tot bloedvergietens toe (1). Het is weinig, wat gij lijdt in vergelijking met hen, die zoveel geleden hebben, die zo hevig bekoord, zo hard verdrukt, en zo dikwijls beproefd en geoefend zijn geworden. Gij moet u het groter lijden der andere mensen voor de geest brengen, om uw klein lijden beter te verdragen. Indien uw lijden u zo klein niet schijnt, zie toe of dit niet uit uw ongeduld voortkomt. Maar uw lijden moge klein of groot zijn, arbeid om het verduldig te dragen.

Hoe beter gij u schikt tot het lijden, hoe wijzer gij doet, en hoe meer verdiensten gij bekomt: een vast besluit en de oefeningen zullen u het lijden lichter maken. Zeg nooit: ik kan dit van die mens niet verdragen, of zulke dingen moet ik niet lijden, want hij heeft mij groot ongelijk gedaan, en hij verwijt mij dingen, waaraan ik zelfs niet gedacht heb; maar van een andere zal ik zulks gaarne lijden, en voor zoveel het mij dunkt te moeten lijden. Dit is een dwaze gedachte; want dat is op de deugd van geduld geen acht geven en door wie zij gekroond zal worden; het is meer op de personen en op het leed, dat men ons aandoet.

Hij is geen oprecht verduldig mens, die niet wil lijden dan zoveel hem goeddunkt, en van wie het hem belieft. Een waarlijk geduldig mens ziet er niet naar van wie hij te lijden heeft, tenzij van zijn overste, van zijns gelijken, of van iemand die minder is; van een goede of deugdzame mens, of van een verdorven of onwaardige. Maar zonder onderscheid neemt hij alles in dank aan van de hand Gods, hoe erg en hoe dikwijls de tegenstand hem ook overkome, of van welk schepsel, en hij houdt het voor een groot voordeel. Want geen lijden, hoe klein ook, zal God zonder verdienste laten, als men het om zijnentwil verdraagt.

Wees dus altijd bereid tot strijden, indien gij de zege wilt behalen. Zonder strijd kunt gij de kroon der lijdzaamheid niet bekomen. Wilt gij niet lijden, zo wilt gij ook niet gekroond worden. Want verlangt gij gekroond te worden, zo strijd manhaftig en houd verduldig vol. Zonder arbeid komt men tot de rust niet, en zonder strijd niet tot de zegepraal.

DE ZIEL. – Heer, maak mij door uw genade mogelijk wat mij dunkt onmogelijk te zijn met natuurlijke krachten. Gij weet dat ik weinig lijden kan, en dat ik aanstonds kleinmoedig ben, als een kleine tegenspoed mij overvalt. Maak, Heer, dat mij om Uw naam alle beproeving en kwelling beminnelijk en wenselijk worden; want om uwentwil te lijden en gekweld te worden, is zeer zalig voor mijn ziel.

(1) Hebr. 12: 4

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee