Boek III Hoofdstuk 31 Men moet elk schepsel versmaden om de Schepper te kunnen vinden

DE ZIEL. Heer! Ik heb nog grotere genaden nodig, indien ik zover wil komen dat noch mens, noch enig schepsel, mij zou kunnen hinderen. Want zolang mij nog enige zaak gebonden houdt, kan ik niet vrij tot U opvliegen. Hij had het verlangen om vrij te vliegen die kon zeggen: Wie zal mij vleugelen als van een duif geven, opdat ik opwaarts vliege en ruste? (1) Wat is er rustiger dan de blik van een eenvoudige? En wat is vrijer dan een mens, die niets verlangt op aarde? Wij moeten dan boven alle schepselen omhoogvaren, onszelf volkomen verlaten, en ons in de geest verheffen, om te bemerken dat Gij, de Schepper van alles, niets gemeen hebt met enig van uw schepselen. En zolang iemand niet gans ontbonden is van alle schepselen, zal hij zijn aandacht niet onbelemmerd op het goddelijke kunnen vestigen. Daarom vind men zo weinige mensen, die de geest der beschouwing hebben: omdat er zo weinigen zijn, die zich volkomen kunnen losmaken van de schepselen en van al het vergankelijke.

Daartoe is er een grote genade nodig, die de ziel oplicht, en boven haarzelf opvoert. En zolang de mens in de geest niet aldus verheven is, onthecht van alle schepselen, en geheel verenigd met God, zolang is al wat hij bezit, weinig te achten. Hij zal lang klein zijn en tot de aarde geneigd blijven. Die buiten het enige, oneindige, en eeuwige Goed niets voor groot acht. Alles wat God niet is, dat is nietigheid, en moet voor nietigheid gehouden worden. Daar is groot verschil tussen de wijsheid van een verlicht en godvruchtig mens, en de wetenschap van een leergierig en geletterd geestelijke. De wijsheid die van boven komt en door God zelf wordt ingestort, is veel edeler dan die welke met moeite door menselijk verstand bekomen wordt.

Men vindt er velen, die naar de beschouwing verlangen; maar zij zoeken niet te beoefenen wat daartoe nodig is. Het is ook een groot beletsel dat men zich ophoudt met uitwendige en zichtbare dingen, en weinig werk maakt van de volmaaktste versterving. Ik weet niet wat het is, noch door welke geest wij geleid worden, noch wat wij voorwenden, wij die naar de uiterlijke schijn geestelijke mensen heten; dat wij door zoveel arbeid en zorg nietige en vergankelijke dingen najagen, terwijl wij zelden of nooit met volkomen ingetogenheid van zinnen aan onze inwendige staat denken.

Helaas! Als wij een weinig ingekeerd zijn, lopen wij aanstonds weer naar buiten; en zo onderzoeken wij nooit onze werken met naarstigheid. Wij zien niet na, waartoe onze genegenheden zich verlagen en betreuren niet dat al onze werken zo onrein zijn. Alle vlees had zijn weg bedorven (2) en daarom zond God de grote watervloed. Aangezien dan onze inwendige neiging zeer bedorven is, zo moeten onze werken, die er uit volgen, als het teken van onze inwendige krachteloosheid noodzakelijk ook bedorven zijn. De vrucht van een goed leven komt voort uit een zuiver hart.

Men vraagt wel hoeveel iemand gedaan heeft; maar hoeveel deugd er in zijn daden is, daarop wordt niet nauwkeurig gelet. Men vorst na of iemand kloekmoedig, rijk, schoon en bekwaam is, of hij een goed zanger, een goed schrijver of werkman is; maar men vraagt zelden of hij arm van geest is, geduldig en zachtmoedig, of hij godvruchtig en ingekeerd is. De natuur ziet naar het uitwendige van de mens, maar de genade keert zich altijd tot het inwendige. De natuur bedriegt zich dikwijls, maar de genade stelt haar hoop op God, opdat zij niet bedrogen worde.

(1) Ps. 64: 7 (2) Gen. 6: 12

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee