Boek III Hoofdstuk 40 De mens heeft niets goeds uit zichzelf en mag zich nergens over beroemen

DE ZIEL. – Heer, wat is de mens dat Gij hem gedachtig zijt? Of de zoon van de mens, dat Gij hem bezoekt? (1) Waar heeft de mens verdiend dat Gij hem uw genade geeft? Wat mag ik mij beklagen, Heer, als Gij mij verlaat; of wat kan ik er met reden tegen inbrengen, als Gij niet doet wat ik verzoek? Dit mag ik voorwaar denken en zeggen: Heer, ik ben niets, ik vermag niets, ik heb niets goeds uit mijzelf; maar ik bezwijk in alle dingen, en ik zink altijd naar het niet. En indien ik door U niet geholpen, en inwendig versterkt word, zo zal ik zeer lauw en krachteloos worden.

Maar Gij, o Heer! Blijft altijd dezelfde, en blijft in eeuwigheid (2); altijd goed, altijd rechtvaardig, altijd heilig; Gij doet alle dingen wl, heilig en rechtvaardig, en beschikt alles in uw wijsheid. Maar ik, meer genegen om achteruit dan om voorwaarts te gaan, ik blijf niet duurzaam in dezelfde staat: want allerlei wisselingen gaan over mijn hoofd (3). Nochtans gaat het haast beter met mij, als het U belieft mij uw helpende hand toe te reiken: want Gij alleen kunt mij zonder mensenhulp bijstand verlenen, en z versterken, dat mijn gelaat niet telkens van uitdrukking verandere (4), maar dat mijn hart alleen tot U keert en in U rust.

Daarom, indien ik alle menselijke troost wel kon verwerpen, hetzij om de godsvrucht te bekomen, hetzij ter oorzake van de noodzakelijkheid, die mij praamt U te zoeken (want geen mens ter wereld kan mij troosten), dan zou ik met reden uw genade mogen verwachten, en mij verblijden over de gave van een nieuwe vertroosting.

Ik dank U, o Heer! Die de oorsprong zijt van alles, zo dikwerf mij iets goeds overkomt. Maar ik, ik ben voor uw ogen ijdelheid en nietigheid, een ongestadig en krank mens. Waarop dan kan ik mij beroemen, of waarom zoek ik geacht te worden? Om mijn niet? Dit is het toppunt der ijdelheid. Voorwaar, ijdele glorie is een verschrikkelijke pest en de grootste aller ijdelheden; want zij trekt ons af van de ware glorie, en berooft ons van de hemelse genade. Want als de mens in zichzelf behagen heeft, zo mishaagt hij U; en als hij de lof der mensen zoekt, verbeurt hij de ware deugd.

Maar het is ware glorie en heilige blijdschap in U en niet in zichzelf zijn roem te stellen; zich in uw Naam, en niet in eigen deugd te verblijden, en geen vermaak te hebben in enig schepsel dan om U. Uw naam zij geloofd en niet de mijne; uw werk zij geprezen en niet het mijne; uw heilige Naam zij gezegend, en niets van de lof der mensen worde mij toegeschreven. Gij zijt mijn glorie, Gij zijt de verheuging van mijn hart. In U zal ik roemen en onophoudelijk mij verblijden; maar voor mij zij geen andere roem dan in mijn krankheden (5).

Dat de Joden hun glorie zoeken bij elkander (6): ik zal die zoeken, die van God alleen komt (7). Alle menselijke glorie, alle tijdelijke eer en alle wereldse hoogheid, vergeleken bij uw eeuwige glorie, is ijdelheid en dwaasheid. O mijn God, mijn Waarheid, mijn Barmhartigheid! O allerheiligste Drievuldigheid! U alleen zij lof en eer, macht en glorie in alle eeuwen der eeuwen.

(1) Ps. 8: 5 (2) Ps. 101: 13,28 (3) Dan. 4: 13 (4) 1 Kon. 1: 18 (5) 2 Kor. 12: 5 (6 en 7) Joh. 5: 1,44

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee