Boek III Hoofdstuk 42 Dat wij de vrede niet van mensen moeten laten afhangen

CHRISTUS. – Zoon, indien gij uw vrede op enig persoon stelt, omdat hij met u van hetzelfde gevoelen is en in goede overeenkomst leeft, zo zult gij altijd ongestadig en ongerust wezen. Maar indien gij uw toevlucht neemt tot de waarheid, die altijd leeft en altijd blijft, zo zult gij niet droef zijn, als een vriend van u scheidt of sterft. De liefde voor uw vriend moet op Mij rusten; al die u goed toeschijnen en u in dit leven dierbaar zijn, moet gij om Mij beminnen. Zonder Mij is geen vriendschap goed of duurzaam; en het is geen ware en zuivere liefde, die niet door Mij geknoopt is. Gij moet van de vriendschap der mensen zodanig onthecht zijn, dat gij, (voor zoveel het u aangaat) buiten alle menselijk gezelschap zoudt willen blijven. Hoe meer de mens zich van alle aardse troost verwijdert, zoveel te meer nadert hij tot God. En hij klimt ook zoveel te hoger tot God, hoe dieper hij in zichzelf nederzinkt, en verachtelijker wordt in eigen oog.

Maar die zichzelf iets goeds toeschrijft, belet de toegang van Gods genade, want de Heilige Geest zoekt altijd een ootmoedig hart. Indien gij u volkomen wist te vernietigen, en alle geschapen liefde uit uzelf te bannen, dan zou Ik met grote genade tot u moeten komen. Want zo gij het oog vestigt op de schepselen, zo verliest gij de Schepper uit het gezicht. Leer uzelf in alles om God overwinnen, dan zult gij tot zijn kennis kunnen komen. Hoe onbeduidend een zaak moet zijn, zo zij ongeregeld bemind en gezocht wordt, besmeurt zij de ziel, en houdt u terug van het hoogste Goed.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)