Boek III Hoofdstuk 58 Dat men te verheven en Gods verborgen oordelen niet moet willen doorvorsen

CHRISTUS. – Zoon, wacht u van te redetwisten over verheven stoffen en verborgen oordelen Gods; waarom deze mens zo verlaten is en gene tot zo grote genade verheven wordt. Waarom deze zoveel te lijden heeft, en de andere zo overladen is met voorspoed. Dat gaat alle menselijk verstand te boven; en geen redenering of vernuft vermag Gods oordelen te doorgronden. Wanneer dus de vijand u zulke gedachten ingeeft, of als nieuwsgierige mensen u daarnaar vragen, antwoord dan met de profeet: Heer, Gij zijt rechtvaardig en recht in al uw oordelen (1), of zeg: De oordelen des Heren zijn waarachtig gerechtvaardigd in zichzelf (2). Mijn oordelen moeten niet onderzocht, zij moeten geerbiedigd worden; want zij zijn onbegrijpelijk voor het menselijk verstand.

Wil ook niet onderzoeken of twisten over de verdiensten der Heiligen, wie onder hen de heiligste, of wie hoger verheven is in het rijk der hemelen. Zulke dingen veroorzaken dikwijls geschillen en nutteloze woordentwist; zij ontsteken ook de hoogmoed en ijdele waan, waar haat en tweedracht uit voortkomen, als de ene deze, de andere gene Heilige hovaardig wil verheffen. Dergelijke dingen te willen onderzoeken en weten brengt geen voordeel bij, maar mishaagt veeleer aan de Heiligen: Want Ik ben geen God van tweedracht, maar van vrede (3); welke vrede meer gelegen is in ware ootmoed dan in zelfverheffing.

Sommigen worden getrokken door grotere genegenheid tot deze of gene Heiligen; maar door een voorliefde die meer menselijk dan goddelijk is. Ik ben het, die al de Heiligen geschapen heb; Ik heb de genade gegeven, Ik heb de heerlijkheid uitgereikt. Ik ken de verdiensten van eenieder; Ik heb hen voorkomen met de zoetheid van mijn zegen (4). Ik heb mijn welbeminden gekend vr alle eeuwen; Ik heb hen gekozen (5). Ik heb ze geroepen door mijn genade, Ik heb ze tot Mij getrokken uit barmhartigheid, en door vele bekoringen heb ik ze geleid. Ik heb hun wonderzoete vertroostingen ingestort, Ik heb hun de volharding verleend, en hun verduldigheid gekroond.

Ik ken ze al te gader, de eerste en de laatste; Ik bemin ze al te gader met een onuitsprekelijke liefde. Mij moet men loven in al mijn Heiligen; Ik moet gezegend worden boven alles, en vereerd in elk van hen die Ik alzo glorierijk verheerlijkt en voorbeschikt heb, zonder enige voorafgaande verdiensten van hun kant. Daarom, wie de minste van mijn vrienden veracht, eert ook de grootste niet; want Ik heb de minste zowel gemaakt als de meeste (6). En wie te kort doet aan n van mijn Heiligen, doet aan Mij te kort, en aan al de anderen, die in de hemel zijn. Zij zijn allen verenigd door de band der liefde: zij hebben n gevoelen, n wil, en beminnen elkander in Mij alleen.

Maar, wat veel meer is, zij beminnen Mij meer dan zichzelf en hun verdiensten.

Want boven zichzelf verrukt, en aan eigenliefde onttrokken, storten zij zich geheel in mijn liefde en vinden daarin genotvolle rust. Niets is er dat hen kan afkeren of nederwaarts trekken; want zij zijn vervuld met de eeuwige Waarheid, en blaken van het vuur ener onblusbare liefde. Dat zijn vleselijke en zinnelijke mensen, die niet weten te beminnen dan eigen voldoening, zwijgen over de staat der Heiligen. Zij geven en ontnemen aan de Heiligen volgens hun goeddunken, niet zoals het belieft aan de Eeuwige Waarheid.

Vele mensen zijn zeer onwetend en weinig verlicht, en weten zelden wat het is iemand te beminnen met louter geestelijke liefde. Zij worden veelal tot die of deze Heilige getrokken door natuurlijke neiging en menselijke vriendschap, zich inbeeldende dat het in de hemel gaat, gelijk zij in deze wereld gewoon zijn te doen.

Maar daar is een oneindig verschil tussen wat onvolmaakten denken en wat verlichte mensen door hoger ingeving ontdekken.

Daarom wacht u, mijn zoon, u nieuwsgierig in te laten met dingen die uw begrip te boven gaan: maar wees veeleer bezorgd om een plaats, al was het ook de minste, in het rijk Gods te bekomen. En al wist iemand, welke heiliger of groter is in het rijk der hemelen, wat zou het hem baten, indien hij door deze kennis niet opgewekt werd zich des te meer voor Mij te vernederen, en mijn naam meer te loven en te eren? Die op de grootheid van zijn zonden denkt, en op de geringheid van zijn deugden, en overweegt hoe ver hij verwijderd is van de volmaaktheid der Heiligen, is aan God veel aangenamer dan hij, die veel twist over hun meerderheid of minderheid. Het is beter de Heiligen met godvruchtige gebeden en tranen te aanroepen en ootmoedig hun krachtige voorspraak te verzoeken, dan door een nutteloos onderzoek hun levensgeheimen na te vorsen.

Zij zijn zeer wel tevreden, indien de mensen zich ook meer tevreden wisten te houden en hun ijdele praat te staken. Zij roemen niet op eigen verdiensten, vermits zij zichzelf niets goeds toeschijnen, maar aan Mij alleen, die hun alle goed uit mijn oneindige liefde gegeven heb. Zij zijn vervuld van de liefde Gods en van zo overvloedige blijdschap, dat er niets kan ontbreken aan hun geluk en aan hun heerlijkheid. Hoe verhevener zijn zij in glorie, hoe ootmoediger zij zijn in henzelf, waardoor zij met Mij nauwer verenigd zijn. Daarom staat er geschreven: dat zij hun kronen nederlegden voor Gods troon, en vielen op hun aangezicht voor het Lam, en aanbaden Hem, die leeft in de eeuwen der eeuwen (7).

Velen onderzoeken wie de grootste is in het rijk Gods, zij die niet weten, of zij waardig zullen zijn onder de minsten gerekend te worden. Het is een groot geluk, zelf de minste in de hemel te zijn, aangezien allen daar groot zijn, en allen kinderen Gods genoemd worden, en werkelijk zijn. De minste zal daar het duizendvoud ontvangen (8) terwijl een zondaar al ware hij honderd jaar, ten gronde zal gaan (9). Als de discipelen vroegen wie de grootste zou zijn in het rijk der hemelen, hebben zij voor antwoord ontvangen: Tenzij gij u bekeert en wordt als kinderen, zult gij in het rijk der hemelen niet ingaan. Wie zich dan vernedert gelijk dit klein kind, die is de grootste in het rijk der hemelen (10).

Wee hun, die zich niet vrijwillig willen vernederen met de kleinen; want de lage deur des hemels zal hun niet toelaten binnen te gaan. Wee ook de rijken, die hier hun troost hebben (11); want terwijl de armen het rijk Gods binnengaan, zullen zij daar al weeklagend buiten blijven. Verblijdt u, gij, ootmoedigen, en verheugt u, gij armen, want het rijk der hemelen is aan u (12), mits gij in de waarheid wandelt (13).

(1) Ps. 118: 137 (2) Ps. 18: 10 (3) 1 Cor. 14: 33 (4) Ps. 20: 4 (5) Joan. 25: 16 (6) Sap. 6: 8 (7) Ap. 4: 10 en 5: 13,14 (8) Is. 60: 22 (9) Is. 60: 20 (10) Matt. 18: 1,3,4 (11) Luc. 6: 24 (12) Luc. 6: 20 (13) 2 Joh. 4

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)