Boek IV Hoofdstuk 13 Met heel haar wezen moet de godvruchtige ziel verlangen naar de vereniging met Christus in het Sacrament

De gelovige: Wie geeft mij, Heer, dat ik U alleen vind (Hoogl. 8 : 1) en U heel mijn hart openleg; en U geniet zoals mijn ziel dat verlangt, en niemand meer op mij neerziet en geen enkel schepsel mij meevoert of op mij let, maar alleen Gij met mij spreekt en ik met U, zoals een beminde tot de beminde gewoon is te spreken en een vriend met zijn vriend maaltijd houdt?

Hierom bid ik, dit verlang ik, dat ik geheel met U word verenigd en mijn hart van het geschapene aftrek en door de heilige communie en veelvuldige eucharistische viering het hemelse en eeuwige leer smaken.

O Heer, mijn God, wanneer zal ik geheel met U verenigd zijn, in U opgaan en mijzelf volkomen vergeten?

Gij in mij en ik in U, geef dat wij samen zo verenigd blijven.

In waarheid, Gij zijt mijn Beminde, uitgekozen uit duizenden, in wie het mijn ziel behaagd heeft te wonen al de dagen van haar leven.

Waarlijk, Gij zijt mijn Vredebrenger, in wie de hoogste vrede en de ware rust, buiten wie last en lijden en eindeloze ellende is.

Gij zijt werkelijk een verborgen God (Jes. 45 : 15) en uw overleg vindt niet plaats met goddelozen, maar Gij spreekt wel met hen die nederig en eenvoudig zijn.

O hoe goed, Heer, is uw geest (Wijsh. 12 : 1), die om uw goedheid tegenover uw kinderen te bewijzen hen met het aller kostbaarst, van de hemel neerdalend brood hebt willen voeden.

Ja, er is geen ander volk zo groot, dat zijn goden zo nabij heeft als Gij, Heer, onze God al uw gelovigen nabij zijt. Tot hun troost iedere dag en om hun hart naar de hemel op te richten, geeft Gij Uzelf aan hen tot spijs en vreugde.

Want welk ander volk is ,zo geëerd als het christenvolk?

Of welk schepsel onder de hemel is zo bemind als de vrome ziel bij wie God binnentreedt, om haar met zijn verheerlijkt Lichaam te voeden?

O onzegbaar voorrecht! O wonderbare tegemoetkoming, o onmetelijke liefde, zeer bijzonder aan de mens bewezen.

Maar wat zal ik de Heer voor deze gunst teruggeven, voor een zo overtreffend liefdebewijs?

Er is niets anders dat ik passender geven kan dan dat ik mijn hart volkomen aan de Heer geef en innig met Hem verenig.

Dan zal heel mijn binnenste jubelen, als mijn ziel volmaakt met God één zal geworden zijn.

Dan zal Hij mij zeggen: als gij met Mij wilt blijven, wil Ik graag bij u zijn. En ik zal Hem antwoorden: Heer, gewaardig U bij mij te blijven: ik wil graag bij U zijn.

Dit is heel mijn verlangen: dat mijn hart verenigd mag zijn met U.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)