De twijfel van de gelovige en de onderscheiding der geesten

De ziel

Het is niet omdat ik al drie lessen heb gevolgd aan het Antwerpse CCV, dat ik verwaand moet zijn over mijn kennis van de ziel, maar een bepaalde scholastieke visie op de ontleding van de ziel is me intussen wel bijgebleven. Onze leraar tekent ze schematisch op het bord als volgt, als illustratie bij de theologie van Johannes van het Kruis.

De schematische voorstelling van de ziel bestaat uit twee schillen en een kern. De buitenste schil valt samen met onze interactie met de wereld, zowel onze gewaarwordingen als ons handelen. Daaronder zit schil die de geest genoemd wordt. Daarin schuilt ons vermogen om rationeel te denken en om beslissingen te nemen met betrekking tot ons handelen. Ook al de kennis die we vergaren zit in die binnenste schil. Helemaal in het centrum van de ziel zit de ‘essentie’ van ons wezen, en die is niet zo min! Binnenin onze ziel schuilt immers een levend beeld en gelijkenis van niemand minder dan God zelf!

Dat is wel interessant om weten, niet? De vraag is echter: hoe kan je die ‘essentie’ bereiken? Er zitten immers twee schillen omheen, en die maken het ons verdomd moeilijk om tot de ‘essentie’ van onze ziel door te dringen. Johannes van het Kruis beveelt ontlediging aan. In een eerste stap ontlediging van de zinnen, zodat de geest zuiver aan het woord komt (meditatie) en in een volgende stap ontlediging van de geest, zodat de ‘essentie’ komt bloot te liggen (contemplatie). Op dat moment zal het licht van God schijnen, want dan wordt Gods eeuwige waarheid in ons ontbloot, die in de ‘essentie’ van onze ziel besloten ligt, omdat die immers volmaakt beeld en gelijkenis van God is.

Dat model is natuurlijk heel abstract en schematisch en voor de meeste gelovigen of ongelovigen ver-van-ons-bed. Het zegt toch enkele dingen over geloof en rede die niet onwaar zijn.

Godsdeeltje

Zo blijkt bijvoorbeeld dat geloof en rede niet tegengesteld zijn of mekaar uitsluiten. Geloof en rede zijn beide functies van het verstand, maar in tegenstelling tot de courante voorstelling, als zou het geloof het verstand verhinderen om tot volmaakte kennis van de wereld te komen, is het eerder andersom: het is juist door het verstand dat het geloof in werking kan treden om de onvolmaakte kennis van de wereld die de rede en de zinnen bieden, te overstijgen en door te dringen tot de volmaakte kennis van God.

Om twee redenen moest ik aan Mark van de Voorde denken. Ten eerste om dat zijn laatse stukje (tegenwoordig op Kerknet) ging over de ontdekking van het ‘godsdeeltje’. Die benaming is eerder ongelukkig tot stand gekomen, maar de zoektocht naar dat essentiele maar haast onvindbare deeltje, dat de verklaring bevat voor ruimte en tijd, doet denken aan de zoektocht naar God in de ziel zoals die in bovenstaande schematische voorstelling is bevat. De schil van de zinnen, dat zijn de klassieke, op waarneming gebaseerde wetten van de mechanica en het electro-magnetisme. De schil van de geest, dat zijn de rationeel geinspireerde wetten van de relativiteit en de quantummechanica. En ergens binnenin, schuilt het licht van het godsdeeltje, dat de verklaring van de hele werkelijkheid moet bevatten.

Twijfel

Een tweede reden waarom Van de Voorde in mijn gedachten kwam, is zijn drammerigheid om bij het filosoferen over de verhouding tussen geloof en wetenschap – waar hij nochtans rake punten poneert – steeds terug te vallen op de twijfel als eenheidsmodel van beide geestelijke activiteiten:

‘Het mooie is dat beide tot samenklank komen in de ‘twijfel’. Is bij het wetenschappelijke denken de voorlopigheid de centrale gedachte – wat ik weet, is voorlopig en kan door nieuw onderzoek gewijzigd worden -, bij het gelovig schouwen is de onvolkomenheid de centrale gedachte – “Nu zie ik in spiegel, wazig, maar later zie ik van aangezicht tot aangezicht”.’

Hoewel het niet onwaar is, kan ik ’s mans filosofie van de twijfel niet altijd smaken, want goede filosofie is daarom geen goede godsdienst, maar zelfs paus Franciscus had het in zijn fameus interview ook over de twijfel, geciteerd: “Als iemand zegt dat hij God ontmoet heeft met een zekerheid die elke marge van twijfel uitsluit, dan zit het niet goed. Voor mij is dit een heel belangrijk gegeven. Als iemand op alle vragen een antwoord heeft, dan is dit juist het bewijs dat God niet met hem is. Dit wil zeggen dat het om een valse profeet gaat die religie dan voor zijn eigen voordeel gebruikt.”  Tegen zo’n harde woorden uit de mond van het hoofd van de Kerk valt weinig in het verweer te brengen, maar laat ons wel proberen hem goed te begrijpen.

“God zoeken en vinden in alle dingen”

In een voorafgaande paragraaf beschrijft de paus dezelfde spirituele ontdekkingstocht van de ziel die ik hierboven beschreef:

‘Willen wij God ontmoeten, dan wensen we hem onmiddellijk via een empirische methode waar te nemen. Maar zo ontmoet men God niet. […] Ignatius vraagt ons onze geestelijk gevoeligheid aan te boren om God te ontmoeten over de grenzen van een puur empirische benadering heen. Dit vergt een contemplatieve houding, namelijk een aanvoelen dat men op het goede spoor zit qua begrip en gevoelens, in verhouding tot de dingen en de situaties. Dat wat aanwijst dat men op het juiste pad zit, is het teken van een diepe, innerlijke vrede, van geestelijke troost, van de liefde van God en van alle dingen in God.’

De reporter stelt de paus de vraag: ‘Als de ontmoeting met God in alle dingen er niet een is van een empirisch eureka en als het gaat om een weg die de geschiedenis leest, dan kunnen er zich vergissingen voordoen…’

Wat betekent “Ik geloof in God”?

Waarop de heilige Vader positief moet antwoorden. Hij wijdt dan verder uit over het gevaar van deze vergissingen. Als ik zijn waarschuwingen opnieuw lees in het licht van deze vraagstelling, meen ik dat het gevaar erin ligt dat gelovigen het proces van hun geestelijke ontwikkeling vroegtijdig stopzetten (maar wie maalt daar nog om?) en reeds menen het goddelijk licht te ontwaren, terwijl de godgelijke essentie van de ziel nog strak in zijn zinnelijke en geestelijke schillen verstopt zit. In termen van Johannes van het Kruis heet dit dat nog geen ontlediging van de zinnen en van de geest heeft plaatsgevonden. In Ignatiaanse termen zegt men dat de onderscheiding van de geesten nog niet voldoende geoefend is… Dat klinkt al niet meer zo vaag en belofteloos als Van de Voorde’s nadruk op de onvolkomenheid van de gelovige inzichten.

Onderscheiding der geesten

Merk op dat het begrip ‘onderscheiding’ doorheen het ganse interview in meer dan tien passages aan de orde wordt gebracht, als de Paus spreekt over zijn eigen spiritualiteit, over het nemen van beslissingen, over het invoeren van kerkelijke hervormingen, over zijn manier van communiceren, over de biecht en over de ontwikkeling van het geestelijk leven en de mogelijke verwikkelingen ervan. Dat is ook niet toevallig, want de Paus is immers een jezuiet en de onderscheiding der geesten, dat is hun specialiteit. Zonder goed begrip van het concept ‘onderscheiding’ kan je het interview met de Paus niet lezen, en dat verklaart wellicht het onbegrip wijd en zijd over zijn verrassende uitspraken.

In enge zin is de onderscheiding der geesten een methode van geestelijke oefening waarmee een concrete vraagstelling kan worden opgelost door de verschillende alternatieve antwoorden te toetsen aan hun effect op de ‘goede geest’ in de persoon die de oefening uitvoert, en die goede geest is een maat voor zijn liefde voor Christus.

In brede zin is de onderscheiding der geesten een manier van nadenken die de Paus doorheen heel het interview laat ademen. De onderscheiding der geesten behandelt geen theoretische of doctrinaire vraagstukken, maar concrete problemen en de personen die erbij betrokken zijn en ieders persoonlijke weg naar God. Dat betekent meteen dat de onderscheiding der geesten geen algemene regels produceert en voor elke vraag een ander antwoord kan bieden.

Ergens halverwege het interview haalt de Paus zelf aan dat die met onzekerheden beladen zoektocht naar God wel erg op relativisme kan lijken, maar dat pareert hij meteen door juist de onderscheiding der geesten als voorwaarde te stellen voor een waarachtige godsontmoeting. Wie zich in de onderscheiding der geesten heeft bekwaamd, heeft zich ontledigd en heeft het licht van de Goddelijke wijsheid zien stralen op zijn ziel.

Uitdaging

De conclusie is alvast dat die nieuwe vorm van gezag die de Paus voorstaat helemaal niet berust op een relativering van goed en kwaad, want de ‘geesten’ die hij aan de onderscheiding wil onderwerpen, zijn juist de geesten van het goede en van het kwade. De vraag is alleen hoe hij erin zal slagen deze jezuitische specialiteit in de ganse kerk te laten doordringen. De moeilijkheid ligt immers daarin dat de Kerk belangrijke en niet te ontkennen elementen van openbaring bevat, maar ook menselijke constructies die de toets van het onderscheid der geesten in concrete gevallen wellicht niet doorstaan. De Kerk leeft voor een groot stuk in de wereld van de zinnen en van de geest, en heeft slechts beperkte middelen om tot de essentie van de ziel door te dringen, zoals bijvoorbeeld de sacramenten dat kunnen. Die vermogens zullen ten volle benut moeten worden!


Als afsluiter haal ik een stuk aan uit Innerlijk Leven van Grossouw, die vorige donderdag, de donderdag na de eenentwintigste zondag na Pinksteren, over voorafgaande thema’s mediteerde (maar dan wel meer dan een halve eeuw geleden), laat het u smaken:

In de introitus van de Zondag zongen wij: „In uw wil, Heer, is alles gelegen en niemand is er die uw wil kan weerstaan. Want gij hebt alles gemaakt, de hemel en de aarde en al wat de hemelboog omsluit. Gij zijt de Heer van het heelal” (Esther 13, 9-11).

Deze gedachte kunnen wij lezen op elke bladzijde van de bijbel . God is de Schepper van hemel en aarde, de volstrekte Heer der mensen, de Meester der geschiedenis. Zijn wil bestuurt alles. Al wat gebeurt en al wat bestaat ligt in zijn wil besloten. En niet alleen het oude godsvolk bezat, door openbaring geleerd, dit levendig besef van Gods heerschappij. Ook de heidense oudheid was met al haar dwalingen diep vervuld van een en bewustwording van de menselijke geest, de vooruitgang der wetenschap, onze zoveel grotere kennis en beheersing van de natuurkrachten en de resultaten van vernuft, techniek en machine hebben aan dit naïeve geloof een einde gemaakt. En voorgoed. Het is ons onmogelijk geworden God in de natuur aan het werk te zien op dezelfde wijze als de oudtestamentische Jood of de middeleeuwse christen Hem zagen (tenzij wij behoren tot de weinigen die de ziel van een kind of een mysticus bezitten). Wij weten te goed hoe het heelal is geconstrueerd. Wij doorgronden bijna de krachten die de natuur aandrijven. De serie der „tweede oorzaken” die wij kennen of menen te kennen, is zo indrukwekkend lang geworden dat de Eerste Oorzaak van alles steeds verder van ons af kwam te staan. Wij kunnen welhaast een sluitend wereldbeeld maken zonder God. Het lijkt soms of er op deze wereld geen plaats meer voor Hem overblijft. Alle geheimen worden ontraadseld en elk mysterie ontluisterd in een tijd die op industriële productie is ingesteld en die een materialistische engheid van geest voor het ware realisme aanziet. Zonder geloof in God en zonder inzicht op een hiernamaals leeft de nieuwe heiden onder de wetmatigheid van louter stoffelijke en economische krachten, even onontkoombaar als het noodlot der ouden.

Maar de Kerk zingt onverstoorbaar het oeroude woord: In uw wil, o Heer, is alles gelegen en niemand is er die hem kan weerstaan. Het is niet waar dat de vooruitgang van de menselijke geest een beletsel zou moeten vormen voor het geloof in God. In feite hebben helaas zeer velen hun geloof verloren omdat de maatschappij God verloochent en haar horizon beperkt tot de stof. Maar zijn niet de krachten van het atoom, die de mens eindelijk en nog onvolkomen aan zich dienstbaar maakte, een openbaring van de scheppende kracht Gods even heerlijk als de hemellichamen het waren voor de psalmist en de bloemen voor Sint Franciscus ? Onze zette, slechts vermeerderen. Want wij weten dat alles wat bestaat niets dan een schaduw is van zijn heerlijkheid. En hoe grootser de stoffelijke weerspiegeling van zijn onzichtbaar wezen blijkt te zijn, des te dieper vernederen wij ons voor Hem die in het heelal zulke sporen achterliet van zijn oneindige macht en majesteit.

Grootser openbaring van God dan de stof en de krachten der natuur vermogen te geven, wordt onthuld in het geloof en het leven van de mensen die door Gods genade zijn kinderen werden. Jesus was de hoogte openbaring van God op aarde. Aan ons, wie Hij het vermogen schonk kinderen van zijn Vader te worden, verleent Hij ook een afstraling te zijn van het Licht in deze wereld. God zoekt aanbidders in geest en waarheid. Mensen die in God geloven, mensen voor wie God in dit leven en te midden van deze wereld de hoogste werkelijkheid is, heeft de wereld nodig. God is voor hen de hoogste werkelijkheid niet in deze zin dat Hij de meest verheven en de verst verwijderde is, maar omdat Hij voor hun besef de meest nabije, de meest reële werkelijkheid is, alles doordringend, alles dragend, in hen aanwezig als de grond van hun wezen, als de enige vastheid van hun eigen veranderlijkheid, als de Liefde die hen gegrepen heeft.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *