Geloven: normaal of abnormaal?

Ik probeer me soms voor te stellen hoe het zou zijn gekerstend te worden. In onze kerk hangt een reuzengroot schilderij dat de heilige Willibrordus voorstelt, die predikt ‘langs de oevers van de Schelde’. Rondom hem staat een groepje plaatselijke oeverbewoners, mannen en vrouwen, oude grijsaards en kleine kinderen. Wat zou ik doen, als ik me onder hen bevond? Hoe zou ik reageren op de wondere verhalen van die rare Willibrordus (op het schilderij zelfs uitgedost in bisschoppelijke gewaden, gekker kan haast niet!), over een zekere Jezus, een man, zoon van God, die —toen toch ook al— bijna 700 jaar geleden leefde en die tal van mirakels verricht en na zijn dood verrijst en ons een eeuwig leven belooft? Zou ik me in verwondering laten overtuigen en, misschien samen met enkele goede vrienden of familie, laten dopen en christen worden? Om zonder schroom dat geloof aan te nemen, dat voor mijn buren een frats is?

Het lijkt me eerder onwaarschijnlijk. Mezelf kennende, zou ik liever vasthouden aan het bekende en niet zomaar meegaan in die ‘nieuwlichterij’ uit het buitenland. Waarom? Niet alleen omdat ik wat conservatief ben ingesteld, maar vooral omdat die verhalen die die Willibrordus komt vertellen, wel heel onwaarschijnlijk zijn. Over de leden van onze dorpsgemeenschap die zich wel laten dopen, het geloof aannemen en naar het kleine kerkje trekken wanneer een priester ons dorp bezoekt, om daar allerlei geheimzinnige dingen te doen met gewijd water, zalfjes, brood en wijn, zou ik zeggen dat ze niet goed snik zijn. Abnormaal, dat zijn ze, de verwonderde dwazen!

Tot zover het gedachtenexperiment…

13 eeuwen later is er niet zoveel veranderd. Geloven is nog steeds abnormaal, alleen verwonder ik me erover nu aan de andere kant te staan, terwijl mijn 8ste-eeuwse ik misschien nooit gekerstend was geraakt. Het experiment heeft me wel iets geleerd. Ik merk immers dat veel van mijn medegelovigen niet willen aanvaarden dat hun geloof abnormaal is, alsof kerstening een leeg begrip is, geen afwijking van de ‘normale’ weg. Zij willen niet bekeken worden als fratsenmakers. Zij willen ‘normale mensen’ zijn en vinden leuk of belangrijk wat ‘normale mensen’ leuk of belangrijk vinden. Misschien is het een hunkering naar de korte bloeiperiode die het geloof vorige eeuw doormaakte, toen de Kerk in het zwaartepunt van de samenleving kwam te liggen. Die periode is echter voorbij.

Gelovigen genieten niet langer het comfort met ‘normale mensen’ op één lijn te staan.

Pas als de Kerk haar drang om normaal te zijn kan afleggen, komt zij terug in haar normale toestand: abnormaal te zijn. Dan kan ze weer het spanningsveld optrekken waarin ze voor de wereld van betekenis kan zijn. Dan kan ze weer verwondering wekken en is er weer ruimte voor kerstening.

Ik schrijf dit stukje geïnspireerd door enkele berichten die ik op internet tegenkwam.

  • Mgr. Johan Bonny publiceert een brief waarin hij voorstelt om in het godsdienstonderwijs opnieuw ruimte te maken voor de essentiële —maar voor de wereld abnormale— concepten die het katholiek geloof inhoud en betekenis geven, maar die lange tijd stilletjes verzwegen werden vanuit de illusie dat Jezus’ boodschap opgenomen kan worden zonder de stap te zetten ‘abnormaal’ te worden, zonder kerstening. Dit zijn natuurlijk niet de woorden van de bisschop, maar dragen hopelijk wel de teneur ervan.
  • Een traditionele katholieke blog publiceert een artikel waarin wordt betoogd dat traditionele katholieken zich in de samenleving ‘abnormaal’ gedragen en meer nog, dat het slechts deze vorm van dwaasheid is die voor een geestelijke vernieuwing kan zorgen in de Kerk.
  • Mgr. Charles Pope, een Amerikaans priester, zegt in een artikel in de National Catholic Register ‘comfort-katholieken’ de wacht aan (Nederlandse vertaling). De makke houding van de Kerk maakt het geloof dat ze moet verdedigen een gemakkelijke prooi voor vervolging in de naam van verdraagzaamheid. Ook hij roept op om die ‘abnormale’ waarheden van het geloof opnieuw uit te spreken en niet tegen de gevolgen daarvan op te zien.
  • In een recensie van De nacht van de biechtvader van Tomáš Hálik, een Tsjechische Rooms-Katholieke theoloog, las ik volgende wijze woorden: “We moeten dwaze zonderlingen durven lijken voor de wijzen van deze wereld. Als we daartoe niet bereid zijn, betekent dat dan niet dat we het evangelie over het kruis tevergeefs gelezen hebben?”
  • Kris Somers publiceert, terwijl ik dit stukje nog aan het bewerken ben, op zijn blog een interessante analyse dat “de afbrokkeling van de maatschappelijke positie van de Kerk een noodzakelijke voorwaarde is voor de hergeboorte van het christendom”.

Dus wie weet, zal het in de Kerk weer als ‘normaal’ aanvaard worden om vrij en open te belijden en te bidden vanuit de waarheden die het geloof ons voorhoudt, waarheden die echter altijd ‘abnormaal’ zullen blijven in de ogen van de wereld.