Molensteen

Prentencatechismussen gebruiken bij catechese is verraderlijk als je niet voldoende voorbereid bent. Toon je bijvoorbeeld bovenstaande prent, dan verschuift de aandacht vanzelf naar het tafereel rechts bovenaan en rijst de vraag “wat zijn die meneren daar aan het doen?”. Dat Christus leert hoe men zich moet hoeden ‘kleinen ten val te brengen’, en daarbij een graad van ernst probeert te duiden, eerder dan een concrete straf, is dan moeilijk uit te leggen, zeker als je zelf niet meteen het betreffende bijbelcitaat kan situeren.

Nog onafgezien van de nogal gruwelijke voorafspiegeling, is het geen eenvoudig bijbelcitaat. De afbeelding combineert eigenlijk twee bijbelpassages, die in de synoptische evangelies in verschillende configuraties terug te vinden zijn.

Bij Lucas vind je de citaten terug in verschillende hoofdstukken en lijken ze niks met mekaar te maken te hebben. De molensteen is een dreigement voor iemand die een ‘kleine’ ten val brengt. Pas in het volgende hoofdstuk komt de bekende passage waarin Jezus zijn leerlingen vermaant wanneer die de moeders willen wegsturen die hun kinderen tot bij Jezus brengen. Bij Marcus herhaalt zich een soortgelijk tafereel, maar de context wordt al iets duidelijker. De discussie ontspint zich hier rond de vraag wie van hen (de leerlingen) de grootste is. Bij Mattheus tenslotte, worden alle elementen netjes geconsolideerd: “Wie zich dus klein maakt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk der hemelen. Wie één zo’n kind bij zich ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. Maar wie één van deze kleinen die op Mij vertrouwen ten val brengt, kan beter met een molensteen om zijn nek in volle zee gegooid worden.”

Er blijven echter vragen te over! Wie zijn die ‘kleinen’ waarover Jezus spreekt? Bedoelt hij daarmee kinderen? Waarschijnlijk niet, want ook in de Griekse bron wordt een ander woord gebruikt voor kinderen of baby’s (paidion of brephe) dan voor ‘kleinen’ (mikron). Zijn het ‘kleingelovigen’? Ook niet, want Jezus verwijt zijn toehoorders of leerlingen elders in de bijbel kleingelovigheid met een specifieke term (oligopistoi). Wat bedoelt Hij met het ‘ontvangen van zo’n kind in Mijn naam’? Kan de lering vanuit de context beter worden begrepen? Bij Lucas is dit de verhouding tot de zondigheid van je naaste (‘Als je broeder zondigt, wijs hem dan terecht, en als hij zich bekeert, vergeef hem dan’); bij Mattheus de onderlinge verhouding van de leerlingen (‘wie is de grootste?’) en bij Marcus komt daar nog bij de verhouding tot volgelingen van Jezus die op eigen houtje in Jezus’ naam beginnen te verkondigen.

De kern van de boodschap zit besloten in het kind. Wat is er bijzonder aan een kind? Zijn onschuld en vertrouwen. Hoe kan je mensen ‘ten val brengen’ of tot zonde verleiden? Door hun vertrouwen te misbruiken.

De klassieke Vlaamse verwoording van de tien geboden op rijm bevat het vijfde gebod als volgt: “Dood niet, geef geen ergernis”. Vreemd, want in de decaloog lezen we niks over ergernis. In het licht van het evangelie is ‘doden’ echter niet alleen te zien als het fysiek vermoorden, maar -erger nog- als het doden van de ziel, door haar in zonde te storten. De ‘ergernis’ is dus niet zomaar een bijvoegsel om het rijmschema te laten kloppen! In de Catechismus is aan de ‘eerbied voor de waardigheid van de menselijke persoon’ een apart hoofstukje aan gewijd. ‘Ergernis’ heeft daarin een andere betekenis dan we gewoon zijn: “Ergernis is de houding die of het gedrag dat anderen ertoe brengt om kwaad te begaan. […] Wie de macht waarover hij beschikt, aanwendt om anderen tot kwaad aan te zetten, maakt zich schuldig aan ergernis en is dus verantwoordelijk voor het kwaad dat hij – rechtstreeks of onrechtstreeks – heeft bevorderd. […] Er is sprake van zware ergernis, wanneer die veroorzaakt wordt door diegenen die, van nature of krachtens hun ambt, als taak hebben anderen te onderrichten en op te voeden.” Dat is dus de (zware) zonde waar Jezus op doelt.

In geloofsopvoeding moet het respect voor het vertrouwen dat kinderen kunnen stellen in hun leraars én het vertrouwen dat ze kunnen stellen in Jezus de rode draad zijn. Leerlingen van hun geloof laten afvallen, is immers ook een vorm van kwaad. Leraars moeten dit vertrouwen beschermen en voeden en er niet jaloers op zijn, hoewel de leerling in zijn groot vertrouwen wellicht dichter bij Jezus staat dan de leraar met zijn grote wijsheid. Het zijn de Jezus’ leerlingen die van hun leraar het verwijt krijgen dat ze er alleen aandacht voor hebben zelf zo dicht mogelijk bij Hem te kunnen vertoeven en het hoogste aanzien te verwerven, en dat ze daarom het geloof van de anderen minachten (de ‘kleinen’, de moeders, de man de elders demonen uitdreef in Jezus’ naam,…). De afstand tussen de geliefde leerlingen en de verfoeide farizeeën wordt dan plots heel klein.

En ja, natuurlijk komt er een “ook vandaag” in dit verhaaltje. Hoeveel ‘grote leerlingen’ lopen er niet rond, die minachtend op het geloof van ‘kleinen’ neerkijken, dat te modern, te fundamentalistisch, te bekrompen, te liberaal, te naïef, te elitair, te ouderwets, te institutionalistisch, te onorthodox, te nietszeggend, te populistisch, te schijnheilig is? Hoe dikwijls doe ik dat zelf niet, uit een oprecht gevoel het geloof te beschermen? Jezus’ opdracht is -zoals vaak- heel moeilijk om rechtlijnig te implementeren. Jezus geeft immers geen criteria om op basis waarvan je eenvoudig kan beoordelen of iemands geloof geschonden wordt.

Uit deze complexiteit komt de patstelling voort waarin de kerk zich vandaag bevindt. Langs de ene kant wil ze heel veel geven en nemen om het vertrouwen van het slinkend aantal gelovigen niet te breken, maar langs de andere kant is juist dat geven en nemen ook oorzaak van een slinkend vertrouwen. Wat ze ook doet, de Kerk kan in de huidige omstandigheden geen kant op, zonder zelf oorzaak te worden van ‘ergernis’, t.t.z. zonder dat ze links of rechts gelovigen hun houvast aan Jezus zal doen verliezen. Bovendien moet ze -juist nu- nog missionair optreden ook, en dus niet alleen het vertrouwen van de gelovigen bewaren, maar ook het vertrouwen van de ongelovigen trachten te winnen. De leraars moeten apostel worden, en de kleinen worden leraars van de apostelen.

Ik zou geen bisschop willen zijn en wou dat ik het zelf al kon: met anderen met geloof bezig zijn, zonder me om de haverklap te ergeren of ergernis te geven, en toch zonder toe te geven aan het geloof dat ene doel, dat Jezus is, na te streven.

Lc 17, 1-4
Lc 17,1-4
Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Het is onvermijdelijk dat er mensen ten val komen, maar wee degene die dat veroorzaakt. Hij kan beter met een molensteen om zijn nek in zee gegooid worden dan dat hij een van deze kleinen (mikron) ten val brengt. Kijk goed uit! Als je broeder zondigt, wijs hem dan terecht, en als hij zich bekeert, vergeef hem dan. Als hij zevenmaal op een dag tegen je zou zondigen en zevenmaal tegen je komt zeggen: “Ik heb er spijt van”, dan moet je hem vergeven.’

Lc 18, 15-17
Lc 18,15-17
Ze brachten ook kleine kinderen (brephe) bij Hem, met de bedoeling dat Hij ze zou aanraken. Wanneer de leerlingen dat zagen, wezen ze hen terecht. Maar Jezus riep de kinderen bij zich en zei: ‘Laat ze bij Me komen en houd ze niet tegen, want van zulke kinderen (paidion) is het koninkrijk van God. Ik verzeker jullie, wie het koninkrijk van God niet als een kind aanvaardt, komt er beslist niet in.’

Mt 18, 1-6!
Mt 18,1-6
In die tijd kwamen de leerlingen bij Jezus en zeiden: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk der hemelen?’ Hij riep een kind, zette het in hun midden en zei: ‘Ik verzeker jullie, als je niet verandert en wordt als kinderen, kom je het koninkrijk der hemelen niet eens binnen. Wie zich dus klein maakt als dit kind (paidion), die is de grootste in het koninkrijk der hemelen. Wie één zo’n kind bij zich ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. Maar wie één van deze kleinen (mikron) die op Mij vertrouwen ten val brengt, kan beter met een molensteen om zijn nek in volle zee gegooid worden.

Mc 9, 34-42
Mc 9,34-42
Maar ze zwegen, want ze hadden onderweg ruzie gehad over de vraag wie de grootste was. Hij ging zitten, riep de twaalf en zei hun: ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.’ Hij haalde er een kind bij, zette het in hun midden, sloeg er zijn armen omheen en zei tegen hen: ‘Wie een van zulke kinderen (paidion) ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem die Mij gezonden heeft.’ Johannes zei tegen Hem: ‘Meester, we hebben iemand in uw naam demonen zien uitdrijven, en wij hebben hem tegengehouden, omdat hij geen volgeling van ons was.’ Maar Jezus zei: ‘Houd hem niet tegen, want iemand die in mijn naam een machtige daad verricht, zal niet gauw kwaad van Me spreken. Immers, wie niet tegen ons is, is vóór ons. Want als iemand je een beker water geeft omdat jullie van Christus zijn, Ik verzeker jullie, zijn loon zal hem niet ontgaan. Wie één van deze kleinen (mikron) die op Mij vertrouwen ten val brengt, kan beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden.

Een mening over “1$s”

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *