Maand: november 2010

Collectieve smet

De misbruikschandalen luiden een nieuwe crisisperiode in voor de kerk. En niet zomaar een crisis, want ze raakt aan twee sluitstenen van ons geloof: het priesterschap en het zondebesef.

Meerbepaald over dat tweede aspect wil ik het even hebben. De kerk is een gemeenschap. Als gelovigen maken we allemaal deel uit van die gemeenschap, die we soms ook het lichaam van Christus, of de bruid van Christus noemen. Wat betekenen die schandalen nu voor ons, gewone gelovigen, die -hopelijk- met misbruikpraktijken niks te maken hebben?

Veel opiniemakers, zoals bijvoorbeeld Mark van de Voorde en Pol van den Driessche, willen dat de kerk als institituut, bij monde van de paus en de bisschoppen, een publieke schuldbelijdenis uitspreekt. De schuld van de pedofiele priesters is immers afgestraald op het instituut van de kerk. Er zijn ook duidelijke uitspraken, niet in het minst van onze paus, die stellen dat de kerk als geheel bij de gebeurtenissen betrokken is en actief moet meewerken aan het herstel van de schade. De paus gaat zover dat hij alle gelovigen oproept hun gebeden en verstervingen op te dragen opdat de kerk van God de genade kan ontvangen om de zonde te verzoenen. Deze aansporingen zijn weinig minder dan een oproep aan alle gelovigen om deel te  nemen aan de boete voor de zonden van de pedofiele priesters, wat impliceert dat de gehele kerk deelachtig is aan deze zonden. Een enkeling gaat nog veel verder in de collectivisering van de zonde, zoals priester Antoine Bodar, die -mocht het baten- plaatsvervangende boetedoening zou willen doen door zichzelf aan de burgerlijke straf te onderwerpen.

Hoezeer ik ook zou willen bijdragen aan alles wat de genade tot herstel van deze misdaden kan afroepen, zit het me toch niet lekker dat we als gelovigen, maar zonder met de zaak iets te maken te hebben, zozeer bij deze schandalen worden betrokken. Temeer daar er ook al op is gewezen dat het pedofilieprobleem in de kerk niet groter is dan elders, maar meer zichtbaarheid krijgt omdat de kerk nu eenmaal in de hoek zit waar de klappen vallen. Het wordt allemaal nog eens uitvergroot, als het plaatsvervangend schuldbesef een graad van katholiciteit wordt in debatten die feitelijk over iets heel anders gaan, zoals de nu al lang aanslepende hetze tegen verschillende Nederlandse bisschoppen; lees bijvoorbeeld de stukken van van Goor en Zwitser en de reactie erop van Stienstra.

Maar los daarvan, blijft het wel een zinnig onderwerp. De intrigerende quote die me aan het denken zette, kwam van Mark van de Voorde: “We moeten de weg van het kruis van Christus langs die de zonden van de wereld op zich nam. Ook de Kerk is een Ecclesia peccatrix die vergiffenis nodig heeft”. Die term had ik nog niet gehoord, en ik ben hem dus even gaan googelen. Blijkt afkomstig van een Franse bisschop uit de vierde eeuw, maar mijn bibliotheek, noch internet weten er verder raad mee. Verderop in de geschiedenis werd de term nog gebezigd door Luther en meer recent door Karl Barth en Hans Kung, wellicht niet toevallig allemaal theologen die het met het kerkelijk instituut niet zo hoog ophebben. Echter ook in andere kringen wordt er over de zondigheid  van de Kerk gefilosofeerd, lees bijvoorbeeld bij a Belgian Thomist of in First Things. Daar wil men echter ook heel duidelijk benadrukken dat de Kerk dan wel zondaars in haar gemeenschap telt, maar dat daarom de Kerk nog niet zondig is. Zij willen er ook niet aan de zichtbare kerk, het kerkelijk instituut los te koppelen van de geestelijke kerk, het mystieke lichaam van Christus. Beide aspecten van de kerk verhouden zich immers zoals lichaam en ziel bij de mens: verschillend, maar een en onafscheidelijk (cf. Lumen Gentium).

Alles vloeit telkenmale terug naar de kernvraag van ons geloof: hoe verkrijgen we van God Zijn genade, en welke rol speelt daarin Gods kerk (onze kerk)? De boodschap aan de gelovigen is duidelijk: ook al ben je boos, verdrietig of gedegouteerd door wat er in de kerk gebeurt, toch is en blijft zij het middel bij uitstek waarlangs God Zijn genade over de mensen, zondaars incluis, laat uitstromen. Priester-blogger Schoppenkoning maakt echter wel een punt, wanneer hij op zoek gaat naar de oorzaak van het gebrek aan moreel bewustzijn waarmee in de tweede helft van de vorige eeuw van een deel van de clerus had te kampen. Hij ziet twee mogelijke omgevingen, waarin het zondebesef is vernietigd: “a) waar men enthousiast is meegegaan met de ´vernieuwingen´ in de Kerk waarbij zonde niet meer werd benoemd, alles werd gedoogd en-of gestimuleerd als ´experiment´ en waarin dus zelfs over deze misdaden te gemakkelijk werd gedacht. b) waar men niet meeging met de vernieuwingen, maar waarin de nadruk ligt op veelvuldig biechten en geestelijke boete, intellectualisme, en waardoor men heel slim (en doortrapt) allerlei maniertjes heeft gevonden om zogenaamd met God in het reine te komen, kortweg: veel zonde, veel biechten, alles ok.”

Of zijn analyse hout snijdt, weet ik niet. Wat ik wel besef is dat de kerk er nood aan heeft gehoor te geven aan de oproep van de paus: “Ik moet toegeven, wij christenen hebben het woord ‘boetedoening’ vaak vermeden, omdat het ons te zwaar leek; de wereld wijst ons nu op onze zonden” De begrippen zonde en boete zijn uit het vocabularium van de kerk gewist, maar maken een wezenlijk deel uit van een gezond moreel en religieus leven. Hoe kan Christus in hoedanigheid van Zijn kerk anders zijn smetteloosheid bewaren, dan wanneer Zijn priesters leven met een bewustzijn van zonde, de noodzaak van boete en de belofte van genade, en zonder angst dit bewustzijn in hun verkondigend en sacramenteel werk werkelijk te maken.

Enkele citaten op een rijtje:

  • Benedictus XVI: “De Rooms-katholieke Kerk is gewond door onze zonden.” (link) “Ik moet toegeven, wij christenen hebben het woord ‘boetedoening’ vaak vermeden, omdat het ons te zwaar leek; de wereld wijst ons nu op onze zonden” (link) “(aan alle gelovigen) Ik vraag u om uw vasten, uw gebed, uw Schriftlezingen en uw werken van barmhartigheid op te dragen ter verkrijging van de genade van genezing en vernieuwing van de Kerk” (link) “(aan de daders) Ik spoor u aan uw geweten te onderzoeken, uw verantwoordelijkheid voor de zonden die u hebt bedreven op u te nemen en nederig uw spijt te betuigen. […] Erkent openlijk uw schuld, onderwerpt u aan de eisen van de gerechtigheid, maar wanhoopt niet aan de barmhartigheid van God.” (link)
  • Priester Antoine Bodar: “Als een gevangenisstraf uitzitten een daad is die helpt, heb ik er niets op tegen om dat te doen.” (link)
  • Senator Pol van den Driessche: “Tot slot zou de paus slachtoffers en hun entourage moeten ontvangen en aan hen namens heel de kerk oprecht vergiffenis moeten vragen. Benedictus XVI die deemoedig het hoofd buigt en schuld bekent, een gekend en wezenlijk gebruik in de kerk.” (link)
  • Mark van de Voorde: “We kunnen ons niet redden door zelfverlossing of het veinzen van onschuld. We moeten de weg van het kruis van Christus langs die de zonden van de wereld op zich nam. Ook de Kerk is een Ecclesia peccatrix die vergiffenis nodig heeft. Zeker vandaag. Niemand, ook niet de paus, kan aan de essentiële boodschap van het christendom voorbij dat wij allen zondaars zijn die verzoening nodig hebben. Daarom is een publieke schuldbekentenis van de Kerk welkom en noodzakelijk. ” (link)
  • Erik van Goor en Tom Zwitser: “Even vreesden we een lamgeslagen Kerk die vanwege allerlei schandalen en externe druk alleen nog maar bezig zou zijn met deemoed en schaamte. De Kerk kan zich niet permitteren de mond te laten snoeren, met wat voor goede bedoelingen dan ook.” (link)
  • Nelly Stienstra: “Het huidige hyperindividualisme speelt een grote rol bij de afkeer van schuldbelijdenis voor iets dat een mens niet zelf, hoogstpersoonlijk, heeft gedaan.  Van plaatsvervangende schaamte wil men kennelijk niets weten. De apostel Paulus houdt ons echter iets anders voor: ,,Er zijn vele ledematen, maar slechts één lichaam …Wanneer één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden”. Als wij werkelijk één lichaam zijn, dan lijden we met de slachtoffers en schamen we ons met de daders.” (link)
  • Blogger ‘A Belgian Thomist‘: “Het niet-kunnen-zondigen vanwege de Kerk heeft niet enkel betrekking op de eeuwigdurende waarheid van Haar leer en op de onverbreekbare trouw van God die in de Kerk werkzaam is, maar ook op de morele heiligheid van de Kerk. Hierdoor is elke collectieve schuld of zonde door de universele Kerk uitgesloten. […] Elke keer dat een lid van de Kerk zondigt en in de mate dat hij zondigt, scheidt hij zich af van de Kerk en dus van Christus, [echter] niet volledig  en blijft [hij] toebehoren aan de Kerk. Maar indien iemand lid is van de Kerk, dan is dit niet wegens of zelfs met zijn zonden, maar ondanks zijn zonden. ” (link)
  • Priester-blogger ‘Schoppenkoning’: “Wij (niet ik) hebben vanaf de preekstoel de hel hoogstpersoonlijk afgeschaft, net als de biecht. En nu opeens… is de zonde weer terug. In het hart van onze Kerk, bij de priesters, bij bisschoppen. Bij degenen die heiligen en voorbeelden zouden moeten zijn. En nu? Moet daar ook die ‘gemakkelijke barmhartigheid’ overheen? Ik houd het zeer wel voor mogelijk dat heel wat daders dat wél zo hebben gedacht en nog steeds denken.” (link)

De duivel en de bange blanke man

Tijdens de paaswakeviering vond er in onze parochie een volwassenendoop plaats van een Nigeriaanse vrouw. Dit mooie ritueel werd uitgevoerd in het Engels. Even daarna mochten we zelf onze doopbeloftes vernieuwen, zoals dat deel uitmaakt van de liturgie van de paaswake, ditmaal in het Nederlands. Het viel me op dat de eerste drie doopbeloften anders werden voorgelegd aan de nieuw-gedoopte, dan aan de gemeente.

In het Engels luidde het:

Do you renounce Satan? – I do renounce him.

And all his works? – I do renounce them.

And all his attractions? – I do renounce them.
En in het Nederlands:

Zult u zich te allen tijde verzetten tegen kwaad en onrecht om in vrijheid te leven als kinderen van God? – Ja, dat beloof ik.
Zult u zich verzetten tegen de bekoring van zonde en onrecht, zodat het kwaad zich niet van u meester maakt? – Ja, dat beloof ik.
Zult u de Heer uw God dienen en Hem alleen? – Ja, dat beloof ik.

Niets mis mee, hoor! Deze tekst wordt in het Nederlands missaal als alternatief aangeboden voor het equivalent van de eerder aangehaalde Engelse variant. Het blijft echter knagen, dus sla ik het Romeins missaal erop na, en lees ik inderdaad opnieuw twee alternatieve sets van beloften:

Sacerdos: Abrenuntiátis Sátanae? Omnes: Abrenúntio.
Sacerdos: Et ómnibus opéribus eius? Omnes: Abrenúntio.
Sacerdos: Et ómnibus pompis eius? Omnes: Abrenúntio.
Vel:
Sacerdos: Abrenuntiátis peccáto, ut in libertáte filiórum Dei vivátis? Omnes: Abrenúntio.
Sacerdos: Abrenuntiátis seductiónibus iniquitátis, ne peccátum vobis dominétur? Omnes: Abrenúntio.
Sacerdos: Abrenuntiátis Sátanae, qui est auctor et princeps peccáti? Omnes: Abrenúntio.

Twee vragen dus: waarom wordt er in dezelfde liturgie de dopeling de ene variant laten uitspreken, en de gemeente de andere? Dat is toch een gekke inconsequentie! En waarom is de derde doopbelofte van de tweede variant in het Nederlands bovendien verkeerd vertaald?

Het is zo een van die fijnzinnige liturgische vrijheden die mijn stekels doen rechtkomen, omdat het een onschuldig symptoom is van een broeiend ongemak. De Nederlandse variant is immers in mijn ogen een paternalistische versie van de doopbeloften, waarin de gelovige wordt behandeld als een klein kind, dat moet worden beschermd tegen al te sterke indrukken, of concreet: tegen de verpersoonlijking van de zonde in de voorstelling van de duivel.

Waarom zouden we immers moeten opteren voor de alternatieve formule, als de standaardformule veel beknopter en beeldrijker is? Zijn we niet gevoelig genoeg om de betekenis ervan te vatten? Of juist te gevoelig? Of zijn we in ons geloof niet volwassen genoeg om de duivel en zijn werken te herkennen en te bestrijden? Tegen wie worden we beschermd? Of tegen welk gevaar worden we juist niet beschermd, door de duivel te verzwijgen?

Een van de eerste zondagen van de vasten mochten we in de bijbel lezen hoe Jezus door de duivel driemaal in verzoeking werd gebracht. Dat is toch geen moelijk verhaal? En wie kent er niet het scheppingsverhaal waarin de mens wordt bekoord door het slang, tot ongehoorzaamheid aan God. Dat is toch een klassieker? En dat is toch juist waar het doopsel als sacrament om draait: de uitwissing van de erfzonde. In het licht van deze twee eenvoudige en alomgekende lezingen, is de standaard-formulering van de doopbelofte een open boek.

Waarom dan overgaan op die uitvoerige en verbeeldingsloze doopbelofte? Is ons begripsvermogen zo eng geworden dat we van de duivel geen andere voorstelling meer kunnen maken dan een het akelig mannetje met vleermuisvleugels en bokkepoten van de Dore-prenten (die ik trouwens wondermooi vind)? Of zijn we juist extra bang van de echte duivel, die we niet in de ogen willen kijken. Misschien juist omdat we hem zo aanwezig achten, net op het ogenblik in de liturgie wanneer het erop aankomt hem door de hernieuwing van onze doopbeloften uit van onder onze ogen te bannen.

Verzoeking van Christus door de duivel in de woestijn (Gustav Dore)

In de kinderbijbels die ik gebruik wordt van de duivel zelden voorstelling gemaakt. Ook trouwens van engelen maar zelden. Dat is niet slecht, want in welke gedaante de duivel aan Jezus is verschenen, dat zegt de bijbel niet. Evenmin hoe de engelen er precies uitzagen. Maar de verhalen staan er wel in. Er is echter ook niks mis mee om de duivel wel voor te stellen, of om toch een engel te tekenen, zoals we die allemaal kennen. Als het maar gebeurt met het nodige respect voor de Schrift en de gebeurtenissen die erin verhaald worden, en met het nodige respect voor de gelovige lezer, die niet bij het handje moet worden gehouden omwille van een misbegrepen modern paternalisme. Hetzelfde geldt voor de liturgie.