Maand: januari 2015

De overwinning op het kwaad

64. Dinsdag na de Derde Zondag na Driekoningen

„Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede” ( Rom. 12, 21 ; epistel van de Zondag).

1. Het eerste deel van deze wijze vermaning van de Apostel is negatief en defensief: laat het kwaad geen overwinning op u behalen. Er zijn vele wijzen waarop het kwaad over ons zegeviert. De duidelijkste en waaraan wij het eerst zullen denken is die welke wij het toegeven aan de bekoring plegen te noemen. Dit is de rechtstreekse aanval en de vierkante nederlaag. Het beginsel der boosheid toont zich min of meer onverhuld, maar wij bezwijken voor de bekoring die uitgaat van het met de zonde verbonden goed. Wij zijn er ons van bewust te handelen tegen Gods wil, doch capituleren voor het kwaad, voor datgene wat ons „bekoort” maar wat in concreto niet van de zonde te scheiden is. Om aan dit kwaad — het voor de christen wezenlijke ongeluk — te ontkomen leerde de Zaligmaker ons bidden: „Leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwaad” .

De eigenlijke zonde is evenwel niet de enige wijze waarop het kwade over ons zegeviert. Wij lijden in deze strijd, ook zonder volkomen nederlaag, veel letsel. Door ontmoediging, door verbittering, door laffe vlucht en door onstandvastigheid. Of laat hij zich niet door het kwaad overwinnen die, door het leven teleurgesteld, de geestelijke idealen van zijn jeugd prijsgeeft? En degene die door de mensen bedrogen en in zijn ziel gewond, zich terugtrekt in eenzelvigheid? En hij die ontmoedigd door eigen zwakheid en door wat hij misschien ten onrechte als zonde beschouwt, het levende geloof verliest in de almacht van Gods genade? Laat de ervaring ons wijs maken, maar ook mild; laat haar sommige onberadenheden van de jeugd wegnemen, maar tegelijkertijd ons geloof in God reëler maken, zuiveren en verstevigen. „Dit is de overwinning die zegepraalt over de wereld: ons geloof. Wie anders overwint haar dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon is van God” ( 1 Joh. 5, 4-5 )?

2. En daarom kunnen wij ons niet tot een afweerhouding bepalen. „Overwin het kwaad door het goede.” In de samenspraak waarin Paulus deze woorden neerschrijft, spreekt hij over de liefde voor de vijanden. De overwinning van het kwade zou volkomen zijn, bedoelt de Apostel, wanneer wij ons door hun haat evenzeer tot haat lieten verleiden. Integendeel, onze liefde moet actief en agressief bijna naar hen uitgaan en aldus „vurige kolen stapelen in ons hoofd” . Dan zal door onze goedheid zelfs hun haat verdwijnen.

Dat is de schone overwinning van het goede over het kwaad. Maar zij wordt zelden behaald. Want onze rechtvaardige goedheid is gewoonlijk wat zuinig, zij rekent op erkenning, en zij wordt een beetje uit de hoogte bij wijze van kostbare aalmoes aan de vijand of aan de buitenstaander (in welke zin dan ook) uitgereikt. Zij is in één woord te weinig goedheid zonder meer, zij gelijkt zo bitter weinig op goedheid van God waarvan zij de ongelovige een volmaakt beeld zou moeten bieden. „Weest volmaakt gelijk uw hemelse Vader volmaakt is” ( Mt. 5, 48 ).

Zulk een liefde (die steunt op het geloof en die het voorrecht en het merk is der kinderen Gods) zal ons ook in staat stellen de aanvechtingen van het kwade in onszelf te overwinnen. Niet enkel de directe bekoringen tot zonde, maar ook alles wat ten slotte met het zedelijke kwaad samenhangt: de droefheid der wereld ( 2 Kor. 7, 10 ), verbittering en zoveel meer. De christen zal voor deze kwalen niet gevrijwaard blijven, want hij is een mens als alle anderen en het is Gods bestel dat wij slechts door lijden heen het paradijs kunnen binnengaan. Maar door de goedheid die hem van Godswege werd geschonken zal hij dit kwaad veranderen in goed en aldus overwinnen. Het zal hem niet langer deren in zijn opgang naar God. Het zal integendeel, dankzij geloof en liefde, nader brengen tot het enige doel van zijn leven. Want voor hen die God beminnen werkt alles mede ten goede. Ook hun zonden, zegt Augustinus .

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Het geloof in Israël

63. Maandag na de Derde Zondag na Driekoningen

„Voorwaar, Ik zeg u: zo groot geloof heb Ik in Israël niet gevonden” ( Mt. 8, 10 ; evangelie van de Zondag).

Tot voorbeeld strekken ons de bezorgde liefde van de heidense officier voor zijn oppasser, zijn diepe nederigheid ( „Heer, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak komt” ), en bovenal zijn groot geloof in Jezus’ macht: het was niet nodig dat de Heer naar hem toe kwam, die immers souverein kon gebieden over alle natuurkrachten.

1. Het geloof van deze heiden was volgens Jezus’ eigen woord beschamend voor de „zonen van het Rijk” , voor de kinderen van het uitverkoren volk. Zou het ook niet beschamend zijn voor de meesten van ons? Ons geloof is meestal lippendienst, omdat het niet onze eigen werkelijkheid doorlicht, omdat het ons niet ons eigen zijn onthult in betrekking tot God en Christus. Geloven wij werkelijk dat God ons meer nabij is en in een veel inniger betrekking met ons staat dan onze dierbare vriend, ja dan wijzelf? Geloven wij waarachtig dat Jezus’ liefde voor ons, voor mij, zo machtig en zo reëel is dat Hij wonderen zou doen, dat Hij ze doet , als het voor mijn heil nodig is en ik op Hem vertrouw? Zij wij er heus van overtuigd dat één akte van zuivere liefde meer waard is dan het stoffelijk heelal? Geve God dat wij, christenen, Jezus’ woord ernstig mogen nemen: „Hebt Godsgeloof! Waarlijk, Ik zeg u, als iemand tot die berg zegt: „verhef u en werp u in zee” , en als hij in zijn hart niet twijfelt, maar gelooft dat zijn woord in vervulling gaat, dan zal het geschieden. Daarom zeg Ik u: „gelooft dat gij reeds hebt ontvangen datgene waarom gij bidt, en het zal u geworden” ( Mk. 11, 22-24 ).

Zulk een geloof redt en heiligt ons en geeft eer aan God ( Rom. 4, 20 ). Geloven is intreden in de wereld van God . En deze is geen sprookjeswereld voor brave kinderen, maar werkelijkheid even hard en helder als kristal en door het geloof wordt zij onze werkelijkheid. Door de geloofsdaad die ontstaat door een wonderlijk samenspel van goddelijke werken en menselijk willen, wordt de ziel van de mens geopend voor God. Het geloof aanvaardt de heilsorde van God in Christus. Het behelst de volledige en praktischeerkenning van de werkelijkheid Gods in ons eigen leven en in de wereld. Ook van óns geloof zal menigmaal het woord gelden, dat het een geloven is in liefde en de macht van God „tegen alle hoop in” ( Rom. 4, 18 ).

Hierdoor wordt God verheerlijkt, omdat het God niet als een mens behandelt, zij het dan als de beste en machtigste, en omdat het van Hem meer, oneindig meer verwacht dan het menselijk mogelijke.

2. Hoe kunnen wij tot dit geloof geraken? Er is geen ander middel dan dat wat de vader van de zieke jongen aanwendde: het gebed . „Heer, help mijn ongeloof!” En vergeten wij niet dat zulk een gebed, vertrouwvol gestort en ontsproten aan een vurig verlangen, reeds een daad van geloof is. Zulk een smeekgebed sluit al enigermate in dat wij in Jezus’ macht en goedheid werkelijk geloven. „Vraagt en gij zult verkrijgen.” Als deze vraag niet wordt ingewilligd, welke dan wel?

Niet enkel het smeekgebed, ook de beschouwing is een machtig middel om ons geloof te vermeerderen en te zuiveren van zijn al te menselijke elementen. Wanneer wij zoveel als ons mogelijk is, telkens opnieuw, onze geest vestigen op God en de goddelijke dingen, wanneer wij hem afkeren van verstrooiende nietigheden en hem richten op het woord van God en de leer en liturgie van de Kerk, zal hij zijn menselijke manier van oordelen en redeneren verliezen en steeds meer alles zien zoals God het ziet.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Geestelijke melaatsheid

62. Derde Zondag na Driekoningen

„Heer, als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen” , bad de melaatse van het evangelie, en Jezus stak de hand uit, raakte hem aan en „aanstonds werd hij van zijn melaatsheid gereinigd” ( Mt. 8, 13 ).

Wij kunnen dit verhaal toepassen op onze geestelijke melaatsheid, de zonde, en haar genezing door Christus. Dit heeft niets te maken met vlucht uit de werkelijkheid, haat van het leven of ontkenning van de natuurlijke harmonie van het bestaan. Die harmonie is al lang verstoord en kan alleen in Christus worden hersteld. Het gaat er slechts om dit stuk realiteit ten volle te erkennen. Tegenover God zijn wij allen „fout” . Wij vergelijken ons het liefst met mensen die zondiger schijnen dan wij of althans in een bepaald punt onze minderen lijken. Maar wij moesten onszelf kunnen zien in het verblindende licht en het verterende vuur van God. „Is er een mens rechtvaardig voor God, een mensenkind rein voor zijn Schepper? Zie, zelfs in zijn engelen ontdekt Hij gebreken” ( Job 4, 18 ). De Kerk laat haar priesters onder de mis bidden: „Aanvaard, heilige Vader, almachtige eeuwige God, deze onbevlekte offerande die ik, uw onwaardige dienaar, U, mijn levende en waarachtige God, opdraag voor mijn talloze zonden, fouten en nalatigheden” .

Wie meent zonder zonden te zijn, is een naïeveling die alle zelfkennis mist, of de zichzelf en anderen misleidende leugenaar waarvan Sint Jan spreekt ( 1. Joh. 1, 8 ). Naarmate men vordert in het geestelijke leven, wordt men zich zijn zondigheid dieper en smartelijker bewust. Niet omdat men meer zondigt dan anderen (waarschijnlijk minder), maar omdat men God begint te naderen. Pas wanneer wij trachten God werkelijk te beminnen, ontdekken wij onze ellende en onze onmacht. Slechts door die geestelijke vernedering heen kunnen wij tot Hem geraken. Misschien moeten wij zelfs zeggen: allen in die afgrond kunnen wij Hem vinden. „Zijn kracht komt in zwakheid tot haar recht” ( 2 Kor. 12, 9 ).

Laat ons voor God belijden onze zonden, onze onvolmaaktheden, onze geheel of half onzuivere beweegredenen, heel dat subtiele spel van ons egoïsme dat als het bederf van een geestelijke melaatsheid onze daden aanvreet en ze in Gods oog van hun glans berooft. Vernederen wij ons diep voor de goddelijke majesteit die ons duldt … en uitkiest en liefheeft. Hoe meer wij door zuiver geloof zijn liefde beseffen en ervaren, des te sterker groeit in ons het bewustzijn van onze ellende en nietigheid. Eerst in het volle licht zien wij hoe zwart zwart is. „Heer, ik ben niet waardig.”

2. Maar wij mogen nooit de moed verliezen. „Men moet er zich niet over verwonderen noch verontrusten dat de zwakke zwak, de zieke ziek en de ellende ellendig is” ( Sint Franciscus van Sales ). Wij worden gedragen door het geloof dat de Heer ons reinigen kan en wil, zo wij slechts op Hem blijven vertrouwen. Wij worden gereinigd in de mate waarin wij met Christus in contact treden en één worden met Hem, zoals de melaatse van het evangelie door aanraking werd gezuiverd. „Zalig zij die hun klederen gewassen hebben in het Bloed van het Lam” ( Openb. 22, 14 ). In elke mis willen wij ons vernederen, ons op de borst kloppen bij het „confiteor” en God onze overgrote onwaardigheid belijden bij het „Domine non sum dignus” , — en elke communie schenkt ons de innigste vereniging met Christus die ons reinigt. „Ziel van Christus, heilig mij. Lichaam van Christus, red mij. Bloed van Christus, bedwelm mij.” Door de schepping zijn wij Gods beeld. Door de zonde werd zijn glans verduisterd. Door Christus en in Christus wordt het heerlijker hersteld.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De heerlijkheid van de Eengeborene

61. Zaterdag na de Tweede Zondag na Driekoningen

Overwegen wij nogmaals het evangelie van de vorige Zondag ( Joh. 2, 1-11 ). Niet zonder reden plaatst de liturgie deze passage van het vierde evangelie op deze dag. Want zij verhaalt ons van die derde openbaring van Jezus’ heerlijkheid, welke het feest van de Epiphanie, met de verschijning aan de wijzen en de doop in de Jordaan, herdenkt. Dit is ook precies de zin, die de evangelist aan zijn verhaal wil geven: „Zo deed Jezus zijn eerste wonder te Kana van Galilea en openbaarde Hij zijn heerlijkheid. En zijn leerlingen geloofden Hem.”

1. Het is het eerste van de betrekkelijk weinig wonderen waarover Johannes in zijn evangelie bericht. Hij noemt deze wonderen tekenen. Zij zijn dit niet enkel in de algemene zin, waarin alle wonderen dat zijn: uitingen van de goddelijke almacht. Johannes heeft daarbij nog een heel bijzondere bedoeling. De wonderen, die hij verhaalt, beelden de werkelijkheid uit, waarvan hij sprak in de proloog: „Het Woord is vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond. En wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eengeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid” ( 1, 14 ) De evangelist wil hiermee zeggen, dat de menswording van het Woord openbaring van God is en dat de leerlingen in en door het geloof die goddelijke heerlijkheid in het vlees hebben aanschouwd. Daarom zijn de wonderen in het vierde evangelie openbaring van de goddelijke heerlijkheid van de Eengeborene. Zij onthullen in de realiteit van onze menselijke wereld en dus voor mensen verstaanbaar, de onze wereld te bovengaande en doordringende werkelijkheid van Hem, die de goddelijke openbaring en verlossing brengt en is.

De opwekking van Lazarus is het „teken” van het woord: „Ik ben de verrijzenis en het leven” . De genezing van de blindgeborene beduidt: „Ik ben het licht der wereld” . De broodvermenigvuldiging: „Ik ben het brood des levens” . De genezing van de lamme op de sabbat betekent: „Mijn Vader werkt tot heden toe, zo doe Ik ook” .

2. Daarom zegt de evangelist, dat Jezus door dit wonder, dat Hij toch ook ten aanschouwe van anderen verrichtte, zijn heerlijkheid openbaarde en dat zijn leerlingen in Hem geloofden. Zij geloofden reeds in Hem; anders konden zij niet zijn leerlingen worden genoemd. Maar door dit eerste wonderteken, waarvan zij getuigen waren, werd hun geloof vermeerderd en versterkt. Ook ons geloof is voor een onbeperkte verdieping vatbaar en zulk een groei is de door God gewilde normale ontwikkeling van het christelijke leven.

Misschien hebben de leerlingen zich later, toen Jezus het woord sprak: „Ik ben de ware wijnstok en gij zijt de ranken” , dit overdadige wijnwonder herinnerd. Of hebben zij hieraan teruggedacht, toen de Heer de Eucharistie instelde en hun de beker des heils reikte. Hoe dit ook zij, de Kerk plaatst ook ons dit tafereel voor ogen wederom als epiphanie, als verschijning des Heren, als openbaring Gods in de werkelijkheid van het menselijk zijn.

3. De les, die wij uit dit verhaal moeten trekken, is geen andere. God heeft zich in Christus aan ons geopenbaard. Wie hiervan doordrongen is, weet, dat dit een onzegbaar geluk is. Deze openbaring wordt ons in de geheimen der liturgie meegedeeld. Wij zijn getuigen van de heerlijkheid van de Logos . Geloofsgetuigen…

Getuigen door het geloof (en daardoor alleen), getuigen wij ook van dit geloof, van deze heerlijkheid Gods, die ons in dit geheim wordt geopenbaard, van deze overstelpende geestelijke levensvreugde, van deze weelde. De heilige moeder Kerk bewaart voor ons deze wijn, die Christus is.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)