Maand: maart 2015

Bron van liefde en zee van smart

144. Vrijdag na Passiezondag

Kardinaal Newman schrijft bij de dertiende statie, als Jezus’ lichaam van het kruis wordt genomen en in de armen van zijn Moeder wordt gelegd: „Nu is Hij opnieuw uw heiligdom, o Moedermaagd, want Hij en de wereld hebben niets meer met elkaar uit te staan. Hij ging van u heen om het werk zijns Vaders te verrichten. Hij heeft het gedaan een geleden. Satan en de boze mensen hebben nu geen aanspraak meer op Hem, te lang is Hij in hun handen geweest, Satan voerde Hem op een hoge berg; de mensen sloegen Hem aan het kruis. Sinds zijn prille jeugd heeft Hij, o Moeder Gods, niet meer in uw armen gerust, maar thans hebt gij recht op Hem, nu de wereld het ergste heeft verricht. Gij zijt de bevoorrechte, allergezegendste, allerliefderijkste Moeder van de Allerhoogste. Wij verheugen ons om dit groot geheim. Hij was verborgen in uw schoot, lag in uw handen, werd aan uw borst gevoed, rustte op uw armen. En nu Hij gestorven is, wordt Hij op uw schoot gelegd. Maagdelijke Moeder Gods, bid voor ons.”

Dit was de bekroning van haar lijden. Dit was het zwaard dat haar Hart doorboorde. Wij hebben een Moeder die wéét wat lijden is. Laten wij dit nooit vergeten. Laten wij nimmer denken, in de verdwazing die hevige smart in ons brengen kan, dat ons kruis zwaarder is dan het hare was. „Wij hebben geen Hogepriester die onze zwakheden niet meevoelen kan, maar Een, die beproefd werd geheel op dezelfde wijze als wij, behoudens de zonde” ( Hebr. 4, 15 ). Maria, inniger dan wie ook met Jezus verbonden in het geheim van onze verlossing, is Hem ook hierin gevolgd. De vreugde van het goddelijk moederschap is gekocht voor de dure prijs van onzegbaar lijden. Diep is zij doorgedrongen in het mysterie van het kruis. Tijdens het openbaar leven van Jezus houdt zij zich op de achtergrond. Nu Hij lijdt en sterft, staat zij bij Hem, ongebroken en trouw als alleen een moeder zijn kan. Zij laat Hem in zijn schande niet alleen. Omdat haar liefde voor Jezus groter was dan die van elk ander schepsel, was haar lijden om Hem, haar smart door ónze zonden, de hevigste, na de pijnen die zijn goddelijk Hart kwelden.

Moeder van Smarten en nooit falende Hulp der christenen, verkrijg door uw milde voorspraak en om de verdiensten van uw lijden licht voor onze geest om door te dringen in het geheim van het Kruis. Vermeerder ons geloof om het lijden te kunnen zien met Jezus’ ogen. Laat ons vertrouwen niet wankelen, als duisternis en radeloosheid ons dreigen te overmeesteren. Houd ons vast, als wanhoop in onze ziel wil dringen. Schenk edelmoedigheid en volharding aan onze liefde om gelaten en vreugdevol zelfs te lijden voor Hem, voor de eer van de Vader en het heil der zielen. De gedachte aan u zal ons sterken en ons hart bewaren voor alle verbittering en moedeloosheid.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Rouwmoedige liefde

143. Donderdag na Passiezondag

Gregorius de Grote begint heden zijn homilie over het evangelie ( Lk. 7, 36-50 ) met de woorden: „Wanneer ik nadenk over het berouw van Maria Magdalena , zou ik liever willen wenen dan iets zeggen” . Het verhaal van de zondares die het huis van de farizeeër binnendringt, zich nederwerpt en de voeten van de Heer met hartstochtelijke eerbied en liefde bejegent, is inderdaad van een zo aangrijpende werkelijkheid dat onze woorden daaraan toegevoegd eer schaden dan goed doen.

1. Deze vrouw die zich had prijsgegeven aan de zonde, die leefde in een staat van publieke eerloosheid en verlorenheid (want zij was „de zondares van de stad” ), zij gaat zich nu wederom wegwerpen, ten prooi aan de verachting der anderen, aan de voeten van de Meester. Zij was reeds lang ongevoelig voor burgerlijke en farizese conventies, maar nu wordt zij bovendien gedreven door een smart en een verlangen die haar alles doen vergeten. Zij weet nu dat al de zonden, „de vele” die zij bedreef, gericht waren tegen Hem, dat haar leven een vergrijp was aan de heiligheid van Hem die zwijgend toeziet, die zich niet terugtrekt, die niet siddert voor haar aanraking, die haar niet wegstoot met die voeten welke zij onder kussen en tranen bedekt en overstroomt met balsem uit de albasten vaas. Zij weet dat als Hij haar aanneemt zij zal heengaan als een nieuw schepsel. Zij weet dat Hij oneindig verder van haar staat dan die anderen, maar toch veel dichter bij. Want zij is door al de onechtheden van het leven heen doorgedrongen tot die grens, tot dat einde, tot die diepte der ziel waar het contact met Hem mogelijk wordt. Zij heeft al haar liefde, gezuiverd door berouw, op Hem samengetrokken en zij heeft daarvoor, spontaan, de uiting gevonden van grenzenloze deemoed en grenzenloze overgave, het koninklijke gebaar van een die alles wegschenkt, die zichzelf wegwerpt aan de voeten van God.

2. En de Heer neemt haar in genade aan, niet heimelijk en haastig vergoelijkend, maar openlijk en rustig. Hij eert haar. Hij rechtvaardigt haar en verheft deze vrouw boven allen die daar aanwezig zijn. „Daarom, zo zeg Ik u, zijn haar zonden, haar vele zonden, haar vergeven, omdat zij grote liefde heeft betoond. Maar wie weinig wordt vergeven, die betoont geringe liefde.” Jezus verkleint en verbloemt niets. Hij weet beter dan de anderen hoe erg haar zonden, „de vele” , waren. Hij ziet met goddelijke helderheid wat de anderen niet kunnen zien: de innerlijke ellende van een zondig leven. Maar hij kent ook haar berouw, haar liefde en haar geloof. „Uw geloof heeft u gered. Ga in vrede.” Hij zendt haar weg met zijn vrede, begenadigd, vernederd en verheven, als nieuw geschapen door de goddelijke liefde.

3. De bijbelverklaarders tobben zich af over Jezus’ woorden en kunnen ze niet passen in het raam van onze logica. Worden de zonden ons vergeven omdat wij God beminnen, of beminnen wij omat onze zonden zijn kwijtgescholden? Kan een heilige wie „weinig” werd vergeven niet vurig liefhebben? En hoe zijn die woorden te rijmen, met de gelijkenis die de Zaligmaker te voren uitsprak?

Door de liefde tot God (en de liefde van God) groeien de geestelijke afmetingen van onze ziel. Naarmate een mens God meer bemint beseft hij beter zijn eigen zondigheid. Door dit dieper besef vermeerdert zijn berouw en de rouwmoedige liefde delgt de schuld. Er bestaat een onpeilbare wisselwerking van goddelijke en menselijke liefde, van geloof en liefde, van berouw en vergiffenis. In dit domein heersen andere wetten dan die van de rede. (Onderzoek u zelf over de wijze waarop gij biecht. Is mijn biechten een deemoedig zich neerwerpen aan de voeten van Jezus? Is het vóór alles een uiting van oprechte liefde en zuiver geloof?)

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)