Maand: mei 2015

De aantrekking der liefde

205. Quatertemperwoensdag van de Pinksterweek

„Niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader die Mij gezonden heeft, hem trekt” ( Joh. 6, 44 ; evangelie).

1. Reeds in het Oude Testament had God zich verwaardigd te spreken over dit machtig en tegelijk liefdevol aantrekken van de mens door zijn innerlijke genade, door zijn sterke roepstem die zonder woorden spreekt tot wat het diepst leeft in elke mens. „Met een eeuwige liefde bemin Ik u; daarom heb Ik u vol erbarming tot Mij getrokken” ( Jer. 31, 3 ). „Ik bind ze aan Mij vast met mensenbanden en koorden van liefde” ( Os. 11, 4 ). Hebben deze teksten allereerst betrekking op Gods liefde voor zijn volk, Jezus spreekt over het zalig lot van de afzonderlijke mens. Er is hier geen sprake van uitwendige dwang noch van een innerlijke noodzakelijkheid die de vrijheid zou wegnemen, doch van een zoete en sterke beweging van de liefde die graag getrokken wordt tot degene die zij als haar enig goed erkent en ervaart. Het is de Heilige Geest die door zijn genade de christen „trekt” tot de Vader en de Zoon. „Allen die zich door Gods Geest laten leiden, zijn kinderen Gods” ( Rom. 8, 14 ). Zoals de Geest in de schoot der aanbiddelijke Drieëenheid voortkomt uit de wederkerige liefde van de Vader en de Zoon, zo is Hij ook in de ziel van de herboren mens als de goddelijke stuwkracht, die de mens machtig aandrijft tot de overgave aan God en hem met goddelijke geestdrift wil werpen in de maalstroom der eeuwige liefde. Het is nu de tijd van vurig verlangen en van nederig gebed tot de Heilige Geest, dat Hij in ons de weerstanden moge breken van egoïsme en alle zondige gehechtheid, opdat onze vrijheid zich onbelemmerd overgeve en de goddelijke aantrekking zich ongehinderd laat gevoelen.

2. Sint Augustinus spreekt: „Meen niet dat ge tegen uw wil wordt getrokken : de ziel wordt aangetrokken ook door de liefde … Misschien zal iemand zeggen: „Hoe kan er spraak zijn van vrijwillig geloven als ik getrokken werd?” Maar ik zeg u: niet enkel wordt ge willig meegesleept, — met genot laat ge u trekken. Er bestaat ook een genieting van de geest. Als de dichter kan zeggen: „Een ieder wordt meegesleept door het genot” — niet door dwang maar door genieting, niet door de band van verplichting, maar door de verlokking van het geluk — met hoeveel mer recht kunnen wij dan zeggen, dat de mens tot Christus getrokken wordt, de mens, wiens genieting is de waarheid, de zaligheid, de gerechtigheid, wiens lust is het eeuwige leven; en dit alles is Christus. Hebben dan alleen de zinnen des lichaams hun vreugden en kent de geest geen genieting? Als de geest geen genot kent, hoe kan dan de Schrift zeggen: „De kinderen der mensen vluchten onder de schutse uwer vleugels: dronken worden zij van de overvloed van uw huis. Gij drenkt hen met de stroom van uw genieting. Want bij U is de bron des levens; in uw licht zullen wij het licht aanschouwen” ( Ps. 35, 8-10 ) Geef mij een minnaar en hij begrijpt mijn woorden. Geef mij een ziel die verlangt en hongert, geef me er een die zich balling voelt in deze woestenij, die dorst en verzucht naar de bron van het eeuwig vaderland. Zo iemand begrijpt wat ik zeg. Maar een koele en lauwe ziel begrijpt mijn woorden niet …” (Homilie op het evangelie).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De volheid van het heil

204. Pinksterdinsdag

In het evangelie lezen wij heden een gedeelte van de gelijkenis van de Goede Herder ( Joh. 10, 1-10 ). Het is een andere passage dan die welke ons op de tweede Zondag na Pasen door de liturgie werd voorgehouden, en welke meer de persoon van de Goede Herder zelf in het middelpunt plaatste. Vandaag valt de nadruk veeleer op het heil dat ons door de Heiland is geschonken.

1. De voornaamste gedachte die de liturgie ons wil inprenten, vinden wij, zoals dikwijls, in het laatste vers van het evangelie: „Ik ben gekomen opdat zij het leven zouden hebben en leven in overvloed” . Dit overvloedige heil, deze overstromende bron van zuiver en bovennatuurlijk geluk wordt ons gegeven door de Heilige Geest. Zijn gave aan de Kerk en aan de zielen die de Kerk waarachtig trouw blijven, is dat heil dat alle goeds in zich bevat. En Jezus is de Deur waardoor de schapen inen uitgaan. Zijn passie heeft voor ons de Geest verdiend, zijn verheerlijking deelt Hem aan ons mede. De voorwaarde waarop wij aan die overvloed des Geestes deelachtig worden is, dat wij Jezus’ stem verstaan en Hem volgen, dat wij geloven . Dat wij ons niet laten leiden door onze eigen gedachten en niet door de leuzen van de wereld en niet door de praktijken van de mensen, maar door zijn stem. En zijn stem spreekt: „Wees barmhartig, volg Mij na, verlies uw leven om dat andere leven te vinden, bemin uw naaste, vertrouw zonder aarzelen op de Vader in de hemel.” Dan „zullen wij gered worden, veilig inen uitgaan en de weide vinden” . Dan ontvangen wij de volheid van zijn heil die onuitsprekelijk is. Dan wordt de genade des Geestes in ons „een bron van steeds opwellend water dat eeuwig leven geeft” ( Joh. 4, 14 ). Moge deze genadevolle week de heilige Geest ons het „inzicht van Christus” ( 1 Kor. 2, 16 ) schenken en de kracht om naar dit inzicht te leven. Mogen wij heden duidelijk beseffen wat er in de korte tijd van ons aardse bestaan op het spel staat, welke mogelijkheden ons door Gods goedheid worden geboden, elke dag opnieuw. Mogen wij helder inzien dat onze eigen zelfzucht en de geest van de wereld ons verwarren en onze blik vertroebelen.

2. Want de gevaren die ons bedreigen en die ons beletten tot de volheid van Jezus’ heil te geraken, zijn zeer reëel. Het evangelie spreekt van dieven en rovers die de schapen in het verderf storten. En het is opmerkelijk dat alle gebeden der mis heden melding maken van de weerstanden die Gods Geest in ons moet overwinnen. Zijn kracht moet onze harten zuiveren (oratie). Hij moge onze geest herstellen, want Hij schenkt de vergiffenis van alle zonden (postcommunie). Het offer der mis moge ons louteren om de deelname aan het heilig mysterie waardig te worden (offergebed).

Wij moeten begrijpen dat met deze algemene bewoordingen zeer bepaalde dingen zijn bedoeld die in het leven van ieder onzer de werking van Gods genade in de weg staan: zelfzucht, lauwheid, oppervlakkigheid, gebrek aan vertrouwen, edelmoedigheid en volharding, besmetting met de geest van de wereld.

Het is Christus’ wil dat wij althans, de door zijn genade uitverkorenen en bevoorrechten boven de overgrote meerderheid der mensen, komen tot die volheid van heil en heiligheid welke zijn liefde voor allen bereid houdt. Laten wij tenminste zijn liefdevolle bedoelingen begrijpen en verwezenlijken. Laten wij edelmoedig en standvastig alles bestrijden wat zich in ons tegen zijn genade verzet. Dit betekent niets anders dan dit éne: verloochen de zelfzucht en draag Hem uit liefde het kruis na. De radicale en volhardende zelfverloochening is de enige, zekere en korte weg tot de heiligheid. En daarmee onafscheidelijk verbonden is het gebed, de beschouwing van de Heer, de overweging der goddelijke dingen, de innige deelname aan de mysteriën der Kerk. Laat ons geen ogenblik langer dralen om vreugdevol deze weg in te slaan. Hoe zouden wij op ons sterfbed elke aarzeling betreuren! Hoe eenvoudig, recht op het doel afgaand, zonder menselijke spitsvondigheid, zonder omweg van redenering en halfheid is die weg van kruis en beschouwing!

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De Heilige Geest en de Kerk

203. Pinkstermaandag

„God, die uw apostelen de Heilige Geest hebt meegedeeld, verleen uw volk de vrucht van vrome smeking: geef hun, wie Gij het geloof hebt geschonken, ook de vrede” (oratie).

Het verwondert ons wellicht bij eerste lezing dat de oratie van heden, waarin de Kerk als altijd bidt om de vrucht van het mysterie, slechts in algemene termen vraagt om de „vrede” en niet, of althans niet uitdrukkelijk, om de Heilige Geest en zijn gaven. Maar deze „vrede” is even goed als het „geloof” dat de christenen reeds bezitten, een gave van Gods Geest; ja zelfs de „vrome smeking van Gods volk” moet aan zijn werking worden toegeschreven. „Gods volk” dat is de Kerk. Tussen de Heilige Geest en de Kerk bestaat een innige verhouding. Hij schenkt haar heiligheid en eenheid. De „vrede” waarom wij vandaag bidden, is niets anders dan deze heilige eenheid.

1. „Christus heeft de Kerk bemind en zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen en te zuiveren …, om zich een heerlijke Kerk te bereiden, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar heilig en zonder enige smet” ( Eph. 5, 25-27 ). Heiligheid is het onvergankelijk kenmerk van Gods Kerk. Jezus’ Geest schenkt deze heiligheid. Want Hij „die de vergiffenis is van alle zonden” (postcommunie van Dinsdag na Pinksteren), reinigt haar van alle smet. En Hij, door wie wij „verzegeld zijn” ( Eph. 1, 13 ) en gewaarmerkt als kinderen van God, wijdt ons de Vader toe. Zo wordt de Kerk Christus’ Bruid, vrij van alle vlek en rimpel der boosheid en in bovennatuurlijke schoonheid haar Heer behagend.

De essentiële heiligheid der Kerk is onverliesbaar, want deze is met haar wezen gegeven. Maar de uitstraling van de innerlijke schoonheid der Bruid is afhankelijk van onze medewerking. Er zijn tijden geweest in de geschiedenis der Kerk waarin haar heiligheid helder straalde voor het oog van alle goedwillenden, en andere waarin die glans verduisterd was, vooral door de zonden der godgewijde zielen. Het is onze grote plicht tegenover God en tegenover de mensheid, voor wie de Kerk een schitterend en zichtbaar teken moet zijn, door persoonlijke inspanning tot het uiterste de schoonheid van Christus’ Bruid te vermeerderen. Heiligheid is toewijding aan God. Bidden wij tot de heiligmakende Geest, dat Hij bezit neme van onze ziel en dat al haar krachten Gode gewijd mogen zijn.

2. Alleen op de bodem van deze heiligheid ontstaat de ware, bovennatuurlijke eenheid der christenen. Ook deze is een kenteken van Christus’ Kerk. Eenheid van geloof en eredienst, eenheid van gezag en leiding, maar ook levende eenheid van liefde. En geen kunstmatige eenheid die de verschillen verdoezelt en doodzwijgt, maar een die boven alle verdeeldheid van ras en stand, van bezit en begaafdheid uitgroeit tot de vrede van Christus. Dit kan alleen de Heilige Geest bewerken. De stoffelijkheid verdeelt de mensen, de Geest maakt ze één. Maar niet de vaag humanitaire of strijdbaar communistische geest, doch enkel en alleen de Geest van de gekruisigde Meester, die leeft in onze harten en de afzonderlijke christen (u en mij) brengt tot zelfverloochening, tot de reële beoefening van Jezus’ gulden regel: „Al wat gij wilt dat de mensen u doen, doet het ook hun” ( Mt. 7, 12 ). Zo alléén, langs de weg van concrete daden en offers, maar ingegeven door zuivere liefde, standvastig en trouw in praktijk gebracht, kan Jezus’ ideaal werkelijkheid worden: „Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij tot de volmaakte eenheid geraken” ( Joh. 17, 23 ). — Kom, Heilige Geest, vervul de harten van uw gelovigen en ontsteek in hen het vuur uwer liefde.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De onzichtbaar werkende

202. Pinksterzondag

„De wind waait waar hij wil en ge hoort zijn gesuis; maar ge weet niet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat; zo gaat het iedereen die uit de Geest is geboren” ( Joh. 3, 8 ).

„O allerzaligst Licht, vervul het binnenste van uw gelovigen” (sequentie).

1. In het epistel wordt ons verhaald hoe de Heilige Geest over de leerlingen nederdaalde onder geruis als van een hevige windvlaag, en hoe vurige tongen zich vertoonden en zich neerzetten boven ieder der aanwezigen. Wat oog en oor hier waarnamen was niet de Geest zelf, doch slechts begeleidend zinnebeeld van zijn machtige en geheel bijzondere werking. Het was ook door God bedoeld als een middel om de aandacht der mensen te trekken en zo van deze eerste, wonderbare uitstorting des Geestes een grootse manifestatie te maken die zou bijdragen tot de stichting der eerste Kerk. Maar de Geest zelf is de bij uitstek Onzichtbare , die niet, zoals de Zoon, in mensengedaante op aarde wordt gezonden, doch onzichtbaar in de harten der herborenen wordt uitgestort. En al gaat thans deze zending des Geestes gewoonlijk niet meer met uiterlijk waarneembare tekenen gepaard, zij heeft even waarachtig plaats als in de eerste tijden der Kerk. Even waarachtig en even krachtdadig voor wie zijn hart weet te openen. „Zie, de hand des Heren is niet verkort” ( Is. 59, 1 ). Maar de komst van de onzichtbare God en zijn werking in onze harten is bij uitstek een mysterie des geloofs , omdat onze zinnen hier geheel geen houvast vinden. Het is hierom ook, dat niet alleen de wereldse en natuurlijke mens, maar ook de middelmatige christen achteloos aan dit goddelijk geheim voorbijgaat. Pinksteren „zegt hem zo weinig” . Dit feest, hemelse geneugte der inwendige zielen, spreekt niet tot zijn verbeelding. De mens die aan de oppervlakte leeft en aan de periferie van zijn wezen, die nooit of slechts vluchtig inkeert tot zijn hart waar de goddelijke Gast verblijf heeft gekozen, zal op aarde nimmer beseffen, welke parel voor zijn voeten lag en door hem versmaad werd. Op gevaar af eentonig te worden moeten wij immer opnieuw onszelf voorhouden: leef inwendig ! Vlucht de nutteloze en schandelijke verstrooiing, wees stil en luister, wees aandachtig, wees verlangend en edelmoedig voor God, levend in uw ziel.

2. Want de Heilige Geest die de grote Onzichtbare is, is tegelijkertijd de machtig Werkende in wie zich bewerken láát. Hij is de „scheppende Geest, de Vinger des Vaders rechterhand” , de goddelijke Kunstenaar der zielen die kapt en houwt, vormt en hervormt en polijst en glanzen doet. Maar wederom: de mens is geen dood materiaal, doch een levende wezen met verstand en vrijheid, een persoon van wie persoonlijke medewerking wordt gevraagd, die is, de overgave der liefde. Slechts hem, die met soepele en sterke wil, met trouw en volgzaamheid altijd opnieuw en keer op keer zich geeft aan de goddelijke wil die Liefde is, zal de inwonende Geest geleidelijk herscheppen tot een meesterwerk der genade. Slechts hem dus die lijden wil uit liefde, die zich offeren wil met Jezus’ offer, en sterven met Jezus’ dood. Want de Heilige Geest blijft immer de gelijkvormigheid met de Heer: godmenselijke volkomenheid nagebootst en als met duizenden stralen weerkaatst in alle trouwe zielen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)