Maand: mei 2015

Ontvankelijkheid voor de gave Gods

201. Vigilie van Pinksteren

De vigilie van Pinksteren voert ons evenzeer als de paasnachtwake reeds geheel binnen in het mysterie dat zij voorbereidt omdat zij oorspronkelijk gehouden werd in de nacht van het feest zelf. Terwijl het officie grotendeels gelijk is aan dat van de voorafgaande dagen en aldus de viering van ’s Heren Hemelvaart nog voortzet, doet de mis volop de nieuwe geluiden weerklinken. De gezangen en gebeden staan alle in verband met de zending van de Heilige Geest en de gave van de Geest bij het doopsel. Want ook deze nacht kent de grote vreugde van de paasnacht: de doop der volwassenen en de daarmede verbonden riten, profetieën, winding van de vont, het ontsteken van het licht en het feestelijke klokkenluiden.

Uit de rijkdom van teksten kiezen wij er enkele van het evangelie ( Joh. 14, 15-21 ). (Als alle overwegingen in dit boek is ook deze slechts een aanleiding voor de gebruiker, een beginpunt om te komen tot verdere gedachten. Tien andere zijn even goed mogelijk of beter.)

1. Jezus zegt: „Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Helper geven, die immer bij u blijft, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, omat zij Hem niet aanschouwt noch kent. Gij kent Hem omdat Hij bij u blijft, ja in u zijn zal.” De Geest is Jezus’ grote gave aan de Kerk en aan de apostelen die hen altijd zal bijstaan. Hij zal hun de gehele waarheid leren en hun binnenleiden in de bovennatuurlijke werkelijkheid van God en Christus. Hij zal hen aan hun Heer gelijkvormig maken, zodat zij zijn bedoelingen begrijpen, zijn geest verstaan, zijn verlossing prediken aan alle schepselen en met liefde daarvoor de dood zullen verduren. Maar de wereld kent Hem niet eens en is daarom niet in staat Gods gave te ontvangen. De wereld, dat zijn die mensen, wier naturalistische geestesgesteltenis gesloten is voor de goddelijke openbaring, de duisternis die moedwillig het licht afweert dat Christus is. Uit deze geesteshouding die meent zichzelf genoeg te zijn vloeien daden voort en levensgewoonten als de begeerlijkheid der ogen en de hovaardij des levens, heel het complex van de zonden die de mensheid kwellen en overheersen. Maar aan de wortel van dit alles ligt de zonde van de geest, de verblinding die de ogen sluit voor het licht, dat God in zijn barmhartigheid ons in Christus heeft geschonken. Ondervinden ook wij niet dat de onschatbare gave van de Geest slechts door hen ten volle wordt gewaardeerd die geestelijk willen leven, dat is in die gesteltenis van stilte en deemoed, die de ziel openmaakt voor God en ontvankelijk voor zijn genade? Sint Augustinus zegt het schoon: „De Geest kan door ons niet aanschouwd en gekend worden zoals het behoort, indien Hij niet in ons is . (Men zou de gehele homilie moeten lezen.)

Slechts door de invloed van zijn werking te ondergaan leert de christen Gods gave kennen. De verhevenste werkingen van God zijn die van de genade in de ziel en deze ervaart God op aarde het zuiverst in de beweging en aantrekking van haar liefde, die door zijn Geest in ons wordt opgewekt.

2. „Nog een korte tijd en de wereld aanschouwt Mij niet meer. Gij echter zult Mij aanschouwen want Ik leef en gij zult leven.” Ook hier spreekt Jezus over de genadevolle werking van de Geest. De scheppende Geest zal de christen omvormen tot de gelijkenis met Jezus, tot een steeds inniger levensgemeenschap met de Heer, tot een volheid van genade die zichzelf in de geest des mensen bewust wordt. Daarom zal zo iemand Jezus aanschouwen, niet op lichamelijke wijze, maar door een geestelijk contact in het geloof. Op grond van een zekere wezensgelijkheid is hij in staat Jezus diep en innig te kennen, te „aanschouwen” , — en dit is „het eeuwige leven” . Slechts wie gelijkgeaard en -gestemd is kan een ander waarlijk kennen, zó, dat kennen beminnen wordt. Johannes spreekt hier zoals gewoonlijk over de volheid van het genadeleven, de rijpheid van de christenstaat, die helaas te zelden wordt bereikt maar in Gods bedoeling normaal moet heten.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De vurige verwachting

199. Octaafdag van ’s Heren Hemelvaart

„Zij gingen naar de opperzaal waar zij gewoonlijk verbleven: Petrus en Johannes , Jakobus en Andreas , Philippus en Thomas , Bartholomeus en Mattheus , Jakobus en Alpheus en Simon de IJveraar en Judas, de broer van Jakobus . Zij allen bleven eensgezind volharden in het gebed, tezamen met enige vrouwen, met Maria, de Moeder van Jezus en met zijn broeders” ( Hand. 1, 13. 14 ).

Jezus had voor zijn Hemelvaart zijn leerlingen geboden naar Jerusalem terug te keren en daar de belofte des Vaders af te wachten en de kracht te ontvangen van de Heilige Geest, die over hen na enkele dagen zou neerdalen ( Hand. 1, 4-8 ). Zij sloten zich aaneen en trokken zich terug, in afzondering en gebed, een kleine en onbeduidende groep, de schamele kern van de Kerk, die de wereld moest overwinnen. Alleen door „de kracht van den hoge” zou deze zegen mogelijk zijn. Het vuur en het licht van Gods Geest alleen zou hen in staat stellen de wereld onbevreesd tegemoet te treden, al hun krachten te wijden en zichzelf te geven aan de grootse taak, die hen wachtte.

Maar wij zien tevens, dat zij, van hun kant, zichzelf op de komst van de Geest wilden voorbereiden, dat zij met een zuiver en eerlijk hart Gods gave wilden ontvangen.

1. In de tijd tussen Hemelvaart en Pinksteren trekken wij ons met Maria, de Moeder van Jezus, en met de apostelen terug in de gesloten opperzaal van de Kerk en van ons hart, smekende om de komst van de Geest, de grote en enige Gave des Heren, die onze zielen veranderen zal, louteren en in brand steken, verlichten en sterken. Zoals de hemelse zaligheid en de aanschouwing Gods ons enig verlangen is voor het leven na dit leven, zo moet de Geest van Jezus en zijn genade ons enig begeren zijn voor deze aarde. Hij alleen, de Vertrooster en Helper, de Schepper en de zoete Gast der ziel, sticht in ons de „nieuwe schepping” en doet ons gelijken op het beeld van de Eéngeborene, zodat de Vader ons herkennen en erkennen kan als ware kinderen, uit God geboren.

Deze gave wordt ons geschonken door Gods loutere goedheid, om de verdiensten van Jezus’ bloed. Maar wij moeten ons hart gereed maken. De beste voorbereiding is: vurig verlangen. Doch dit verlangen, deze innerlijke, nederige en vertrouwvolle roep om God in ons, is onmogelijk zonder stilte en diepe ingetogenheid. Sluit de deuren van het hart en de vensters der ziel voor alles wat God niet is. Deze geestelijke stilte is de onmisbare medewerking van de mens met de grote, herscheppende arbeid van Gods liefde in de zielen.

En hoe deze stilte beter te verwerkelijken dan in innige vereniging met de Moeder Gods, die in van God vervulde eenzaamheid het Woord mocht ontvangen en die nu wederom, zwijgend, maar zuiver en vurig verlangend, de komst verwacht van de Heilige Geest? Zij is de onvergelijkelijke Meesteres van het nederig en geestelijk gebed.

2. Bij dit verlangen moet zich de bereidwilligheid voegen van onze wil om God alles te geven wat Hij vragen zal. Of liever: dit verlangen sluit, indien het oprecht is, de wil in om te lijden met Christus. Daardoor eerst stellen wij ons hart open voor de onbelemmerde werking des Geestes. Slechts zo wij ons eigen „leven” willen opgeven, zullen wij het Leven verwerven.

God heeft in zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit de mens de vrijheid geschonken en deze vrijheid wordt door Hem gerespecteerd. Zijn genade doet de ziel geen geweld aan. Een vrije en volkomen liefde alleen is Hem waardig. Wij hebben daarom de verschrikkelijke macht zijn genade te weerstaan en door ons egoïsme de oneindige mildheid van zijn liefde in te perken. Wie om de genade van de Heilige Geest bidt met een hart, dat a priori in bepaalde punten aan zijn eigen begeren gehecht blijft, verlangt niet waarachtig. Hij stelt reeds te voren grenzen aan de werking der Liefde die zich onbegrensd wil meedelen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Veerkracht

200. Vrijdag na het octaaf van Hemelvaart

„Mogen deze onbevlekte offeranden ons zuiveren, o Heer, en onze geest de kracht verlenen der hemelse genade” (offergebed der mis). Het Latijnse woord vigor dat met „kracht” werd vertaald betekent eigenlijk iets meer. Het heeft zo ongeveer de zin van veerkracht, de steeds zich vernieuwende sterkte van het leven zelf, dat tegen de verdrukking in groeit en in zichzelf de bron bezit van herstel en ontplooiing. wij bidden dus met de Kerk dat ons doro het heilig offer een bovennatuurlijke ( superna ) vitaliteit der genade moge worden geschonken. Hoezeer hebben wij deze van node!

1. Hoezeer ondervinden wij allen, dat wij kinderen van Eva zijn, die in dit tranendal de gestalte dragen van de aardse mens! Een voortdurende, tegelijkertijd sterke en meegevende beweging van onze wil is noodzakelijk om standvastig te streven naar het lichtende ideaal, dat Gods goedheid ons in Jezus Christus heeft gesteld. Maar zulk een constante streving strookt niet met de beweeglijkheid van onze natuur, die als alle aan de stof gebonden leven haar ups en downs kent en de inzinkingen van haar vitaliteit. Het is daarom ook dat wij bidden moeten om een bovennatuurlijke levenskracht, die ons door de overvloed van Gods genade wordt verleend. Het onophoudelijk geven der liefde, de nimmer eindigende strijd tegen onze verkeerde neigingen, het altijd voorwaarts willen reiken in de ren naar het hemelse einddoel matten ons af. Wij hebben soms het gevoel niet langer meer te kunnen en dit gevoel is zeer reëel. Onze natuur kán het ook niet aan en God laat ons allen dit ervaren, opdat wij de waarheid zouden erkennen van Christus’ woord: „Zonder Mij kunt gij niets” , — opdat als wij ons hebben vernederd (nadat wij vernederd zijn ) en voor Hem onze hulpeloosheid beleden, wij verder zouden gaan, steunend op Hem alleen. Want wij zijn hardleers. Het duurt zo lang voor de meesten van ons hebben ingezien hoe letterlijk waar dit woord van Jezus is. Pas op de bodem van zulk een nederigheid, die ontmoediging insluit en die bestaat in de aanvaarding van zichzelf, is de geestelijke veerkracht mogelijk waarvan het gebed spreekt. Zolang wij niet werkelijk nederig zijn geworden, bestaat altijd de mogelijkheid van gekwetste hoogmoed en moedeloosheid. Zolang wij niet geestelijkerwijze dit diepste punt hebben bereikt en vrede hebben met de begrenzingen van onze individuele natuur, kan onze vermeende kracht worden gebroken en is het zelfs heilzaam dat zij gebroken wordt.

2. Wanneer wij ons zeer moe gevoelen en als met walg voor al het geestelijke vervuld of hopeloos lauw en leeg en dodelijk gewond door onze nooit ophoudende nederlagen, bezitten wij een eenvoudig en krachtdadig middel om in de liefde tot God te volharden. Het is een middel dat ook de grootste heiligen nooit hebben versmaad en dat hen wellicht meer gesterkt heeft dan alle andere tezamen. Ik bedoel de beschouwing van onze gekruisigde Heer. Wanneer een mens die God eerlijk wil beminnen zich in de geest voor het kruis van Jezus plaatst en met geloof en tederheid de Zaligmaker beschouwt, verstommen alle verontschuldigingen waarmee hij zijn lafheid of zijn hoogmoed zou willen goedpraten. Wij kunnen dan alleen maar beschaamd zijn en nederig en overgegeven, wetend dat alle lijden niets is, vergeleken bij zijn smart, en dat al onze moeheid verdwijnt voor de uitputting van zijn gemartelde ledematen en dat Hij al onze zonden en gebreken opheft.

De beschouwing van Jezus’ kruis belet ons menselijk en gemakzuchtig te denken. Wanneer wij ons bewegen op het plan van de rationele zedenleer en het alleen maar nuchtere verstand, vindt ons egoïsme licht redenen om offers te weigeren en ontmoedigd te worden. Maar als wij met Maria onder het kruis staan, voelen wij ons weerloos en worden de redeneringen en bedenkingen van de zelfzucht ontzenuwd door de werkelijkheid van liefde en lijden. Wij hervinden onze veerkracht, wij vinden vertrouwen, liefde. Wij zullen minstens geraken tot de nederige erkenning en aanvaarding van onze ellende en van de overgrote ontoereikendheid van onze liefde en dit is wellicht de hoogste wijsheid, waartoe een mens op aarde kan geraken. Daarom blijft de beschouwing van het kruis immer heilzaam, ook in de tijd dat wij ’s Heren Hemelvaart herdenken en de kracht van zijn Geest verwachten. Want het is de Geest van de gekruisigde Jezus, die wij hopen te ontvangen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De vurige verwachting

199. Octaafdag van ’s Heren Hemelvaart

„Zij gingen naar de opperzaal waar zij gewoonlijk verbleven: Petrus en Johannes , Jakobus en Andreas , Philippus en Thomas , Bartholomeus en Mattheus , Jakobus en Alpheus en Simon de IJveraar en Judas, de broer van Jakobus . Zij allen bleven eensgezind volharden in het gebed, tezamen met enige vrouwen, met Maria, de Moeder van Jezus en met zijn broeders” ( Hand. 1, 13. 14 ).

Jezus had voor zijn Hemelvaart zijn leerlingen geboden naar Jerusalem terug te keren en daar de belofte des Vaders af te wachten en de kracht te ontvangen van de Heilige Geest, die over hen na enkele dagen zou neerdalen ( Hand. 1, 4-8 ). Zij sloten zich aaneen en trokken zich terug, in afzondering en gebed, een kleine en onbeduidende groep, de schamele kern van de Kerk, die de wereld moest overwinnen. Alleen door „de kracht van den hoge” zou deze zegen mogelijk zijn. Het vuur en het licht van Gods Geest alleen zou hen in staat stellen de wereld onbevreesd tegemoet te treden, al hun krachten te wijden en zichzelf te geven aan de grootse taak, die hen wachtte.

Maar wij zien tevens, dat zij, van hun kant, zichzelf op de komst van de Geest wilden voorbereiden, dat zij met een zuiver en eerlijk hart Gods gave wilden ontvangen.

1. In de tijd tussen Hemelvaart en Pinksteren trekken wij ons met Maria, de Moeder van Jezus, en met de apostelen terug in de gesloten opperzaal van de Kerk en van ons hart, smekende om de komst van de Geest, de grote en enige Gave des Heren, die onze zielen veranderen zal, louteren en in brand steken, verlichten en sterken. Zoals de hemelse zaligheid en de aanschouwing Gods ons enig verlangen is voor het leven na dit leven, zo moet de Geest van Jezus en zijn genade ons enig begeren zijn voor deze aarde. Hij alleen, de Vertrooster en Helper, de Schepper en de zoete Gast der ziel, sticht in ons de „nieuwe schepping” en doet ons gelijken op het beeld van de Eéngeborene, zodat de Vader ons herkennen en erkennen kan als ware kinderen, uit God geboren.

Deze gave wordt ons geschonken door Gods loutere goedheid, om de verdiensten van Jezus’ bloed. Maar wij moeten ons hart gereed maken. De beste voorbereiding is: vurig verlangen. Doch dit verlangen, deze innerlijke, nederige en vertrouwvolle roep om God in ons, is onmogelijk zonder stilte en diepe ingetogenheid. Sluit de deuren van het hart en de vensters der ziel voor alles wat God niet is. Deze geestelijke stilte is de onmisbare medewerking van de mens met de grote, herscheppende arbeid van Gods liefde in de zielen.

En hoe deze stilte beter te verwerkelijken dan in innige vereniging met de Moeder Gods, die in van God vervulde eenzaamheid het Woord mocht ontvangen en die nu wederom, zwijgend, maar zuiver en vurig verlangend, de komst verwacht van de Heilige Geest? Zij is de onvergelijkelijke Meesteres van het nederig en geestelijk gebed.

2. Bij dit verlangen moet zich de bereidwilligheid voegen van onze wil om God alles te geven wat Hij vragen zal. Of liever: dit verlangen sluit, indien het oprecht is, de wil in om te lijden met Christus. Daardoor eerst stellen wij ons hart open voor de onbelemmerde werking des Geestes. Slechts zo wij ons eigen „leven” willen opgeven, zullen wij het Leven verwerven.

God heeft in zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit de mens de vrijheid geschonken en deze vrijheid wordt door Hem gerespecteerd. Zijn genade doet de ziel geen geweld aan. Een vrije en volkomen liefde alleen is Hem waardig. Wij hebben daarom de verschrikkelijke macht zijn genade te weerstaan en door ons egoïsme de oneindige mildheid van zijn liefde in te perken. Wie om de genade van de Heilige Geest bidt met een hart, dat a priori in bepaalde punten aan zijn eigen begeren gehecht blijft, verlangt niet waarachtig. Hij stelt reeds te voren grenzen aan de werking der Liefde die zich onbegrensd wil meedelen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De wereld

198. Woensdag onder het octaaf van Hemelvaart

„Vader, toen Ik bij hen was, bewaarde Ik hen die Gij Mij gegeven hebt. Nu echter kom Ik tot U. Ik vraag U niet dat Gij hen wegneemt uit de wereld, maar dat Gij hen bewaart voor het kwaad” ( Joh. 17, 12-15 ; communio van de Zondag). „Zij zullen u buiten de synagoog werpen; de ure komt zelfs dat alwie u doodt meent een Gode welgevallig werk te verrichten. En deze dingen zullen zij u aandoen omdat zij noch de Vader noch Mij kennen” ( Joh. 16, 2. 3 ; evangelie van de Zondag).

1. Het kwaad waarvoor de Heer Jezus bad dat zijn leerlingen bewaard mochten blijven is niet het lijden maar de zonde. Want Hij voorspelde in de woorden van het evangelie dat vervolging hun deel zou zijn en zelfs een bewijs dat zij Hem werkelijk toebehoren. „Allen die vroom willen leven in Christus Jezus zullen vervolging te verduren hebben” ( 2 Tim. 3, 12 ). En men kan daarvoor nog vele andere teksten aanhalen. Het ongeluk dat wij vrezen moeten is de afval van Jezus Christus, en anders geen. Naar die maatstaf alleen mogen wij geluk en ongeluk onderscheiden. Slechts een mens die geheel uit het geloof leeft en in wie de gaven van de Heilige Geest (naar wiens komst wij in deze dagen wederom vol verlangen uitzien) tot ontplooiing zijn gekomen, vermag deze maatstaf feilloos te hanteren. „Meer en meer gehypnotiseerd door de heilige wil Gods zie ik steeds minder verschil tussen lijden en genieten; het enige waar het voor mij op aankomt is de wil des Vaders” ( Marie-Antoinette de Geuser ). Wij moeten steeds minder gevoelig worden voor wat onze natuur pijnlijk of aangenaam aandoet en een grote fijngevoeligheid ontwikkelen ten opzichte van alles wat met Jezus verenigt of van Hem scheidt.

Datgene wat ons van de Heer verwijdert, is het kwaad. Wat ons zijn Geest doet verliezen, wat ons zelfs maar in geringe mate en voor korte tijd van de vereniging met zijn wil en liefde losmaakt, moet ons een gevoel bezorgen van ellendigheid en onvrede.

2. De wereld begrijpt dit niet want „zij kent noch Hem noch de Vader” . Zijn roeping heeft ons uit de wereld uitverkoren, doch wij leven nog in haar, met de weerloosheid van schapen te midden der wolven. „Ik vraag U niet dat Gij hen uit de wereld neemt doch dat Gij hen bewaart voor het kwaad.” Jezus’ leerlingen hebben hun taak te vervullen in de wereld, zij zijn gezonden zoals Hij, maar de Heer weet hoe gevaarlijk en hard hun bestaan zal zijn. Daarom bidt Hij voor hen tot de almachtige Vader en Hij sterkt hun moed met zijn vóórkennis: „Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam doden doch de ziel niet doden kunnen; vreest liever Hem die èn de ziel èn het lichaam in de hel kan verderven” ( Mt. 10, 28 ). Een christen moet niet de wereld willen beheersen maar haar ondergaan en voor haar redding bidden en lijden. Soms en misschien dikwijls zal ons het gevoel neerdrukken van haar sterke macht en zullen wij beseffen dat het wederom de „kleine kudde” is, waaraan de Vader het rijk toevertrouwde. Wij krijgen niet de indruk dat het woord van het laatste evangelie „en de wereld erkende Hem niet” heden minder toepasselijk zou zijn dan in de dagen van Johannes . De hardnekkigheid van het kwaad, de woekering van het ongeloof, de verheidensing van een maatschappij die toegerust is met alle middelen van de moderne techniek en niet zelden opereert met de gewetenloosheid van het staatsabsolutisme, — dit alles kan ons bijna moedeloos maken en een crisis worden van ons geloof. Moge het ons onthechten aan de gestalte van deze wereld die voorbijgaat en onze ogen vestigen op de hemelse woon waarheen Christus ons is voorgegaan. Maar mogen wij tevens trouw blijven aan onze aardse taak, apostolisch bezield ten opzichte van die wereld die Christus kwam redden en nog niet veroordelen. Moge alle kleingelovigheid wijken door Hem die sprak: „Houdt moed, Ik heb de wereld overwonnen” ( Joh. 16, 33 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)