Maand: juni 2015

“Als hij naar hem luisterde, raakte hij steeds in verlegenheid, en toch hoorde hij hem graag”

Omdat het vandaag het feest is voor de geboorte van Johannes de Doper, en we dat verhaal (eigenlijk toevallig) in het weekend al gelezen hadden, nam ik vandaag het verhaal van Johannes’ martelaarschap. Met de actualiteit van de voorbereiding van de gezinssynode in het achterhoofd, vielen enkele passages me bijzonder op!

Read More

Licht in de duisternis

231. Maandag na de Vierde Zondag na Pinksteren

„De Heer is mijn licht en mijn heil. Wie zou ik vrezen?” ( Ps. 26, 1 ). „Verhelder mijn ogen, opdat ik niet inslape ten dode” ( Ps. 12, 4 ; introitus en offertorium van de Zondag).

1. Jezus is het licht van de wereld en van elke mens afzonderlijk. De wereld verkommert en raakt verward in de strijd en ellende die steeds hopelozer lijken, omdat zij weigert in Christus te geloven. „Het waarachtige Licht kwam in de wereld en de wereld heeft Hem niet erkend” ( Joh. 1, 9. 10 ). Eeuwig waar woord van eeuwige tragiek! Tragedie der mensheid, want Gods wezen wordt er niet door geraakt. Maar de Logos , het Woord, is mens geworden en in zijn mensheid heeft Hij aller tijden treurspel doorleefd en doorworsteld tot de dood toe. Doch die in Hem geloven, hun gaf Hij de macht kinderen Gods te worden. „Wie Mij volgt zal niet in ’t donker wandelen” ( Joh. 8, 12 ). Het zijn zij die door Gods genade uit de duisternis der wereld zijn genomen en met de Kerk zingen in hun opgang naar het heiligdom: „De Heer is mijn licht en mijn heil. Wie zou ik vrezen?”

De zekerheid van het begonnen heil kan de christen met sterke vreugde vervullen. En wanneer zal zijn hart blijder kloppen dan op het ogenblik, dat hij met de kinderen des lichts vereend in het Lichaam van Christus dat de Kerk is, Christus’ ene en volmaakte offer vieren gaat? In de gave der eucharistie wordt hij Christus’ licht opnieuw en overvloedig deelachtig: het onsterfelijke leven, „het erfdeel der heiligen in het licht” ( Kol. 1, 12 ), „van hen die de Heer Jezus Christus onvergankelijk liefhebben” ( Eph. 6, 24 ).

„Wie zou ik vrezen?” Wat ons ontbreekt, is steeds geloof . Het is waar, het geloof zelf is duisternis. Maar in die duisternis glanst een verborgen licht dat ons nooit bedriegt. Wij mogen niet wankelen in ons vertrouwen op Christus. Hij is het volmaakte en loutere Licht. „Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden” ( Rom. 10, 11 ).

2. Wanneer wij concreter willen spreken, zie ik het licht, dat in onze ziel moet schijnen, vooral bedreigd van twee zijden. Op de eerste plaats is er de wankelmoedigheid van ons eigen hart. De vijanden, die wij zonder Christus zouden duchten, zijn naar oud-christelijke overlevering drie in getal: de duivel, de wereld en de zelfzucht. Maar de twee eerste vermogen niets, zo onze geest zegeviert over het vlees en in Christus’ licht gevestigd blijft. Het is onze eigen „kleingelovigheid” die ons verlamt. Wij vermogen de duisternis die aan het geloof wezenlijk eigen is niet te dragen. En daardoor alleen , door dit wandelen, onbevreesd, in het donkere dal, zullen wij met de Heer verenigd worden. Daardoor alleen geven wij Hem de eer die Hem als God toekomt. Wanneer wij geen enkele uitweg zien in ons leven en van binnen bestormd worden door angst, onzekerheid en zelfs wanhoop, dan geldt het te geloven in de onzichtbare liefde; dan wordt van ons gevraagd het heldhaftige geloof in het donkere Licht.

En het andere gevaar bedreigt een heel ander soort mensen (of dezelfde mensen in andere tijden en stemming): oppervlakkigheid, zich overgeven, zonder christelijke zelfkritiek, aan verstrooiing en uitwendigheid. En zonder de christelijke kijk op de wezenlijke waarde der vergankelijke dingen. Het zich laten inwikkelen in een sluier van zinnelijke en aardse indrukken, die steeds ondoorzichtiger wordt en ondoordringbaar voor het licht dat van Christus komt. „Verhelder mijn ogen opdat ik niet inslape ten dode.” „Ontwaak gij slaper. Sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten!” ( Eph. 5, 14 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Nederigheid

230. Vierde Zondag na Pinksteren

In het evangelie van heden wordt verhaald hoe Simon Petrus en de zijnen op Jezus’ woord het net uitwerpen, ofschoon zij de hele nacht vergeefs hadden gearbeid. „En toen zij dit gedaan hadden, haalden zij een groot aantal vissen binnen en hun netten dreigden te scheuren. En zij wenkten hun makkers in het andere schip, dat zij hen zouden komen helpen. En dezen kwamen en zij vulden beide schepen tot zinkens toe.” Het is begrijpelijk, dat dit wonder op Petrus , de visser, met zijn spontane natuur, een diepe indruk maakte. Toch komt ons misschien zijn reactie merkwaardig voor. „Toen Simon Petrus dit zag,” zo gaat het evangelie verder, „viel hij neder aan de knieën van Jezus en zeide: „Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens” ( Lk. 5, 6-8 ). Wij zouden kunnen vragen: wat heeft zijn zondigheid hiermee te maken? Denkt hij wellicht aan een bepaalde misslag? Zonder twijfel niet. Doch hoe zuiver voelt hij de situatie aan! Hij is zich niet een bepaalde zonde bewust, maar zijn zondigheid; hij is zich eensklaps fel bewust dat hij hier staat tegenover een openbaring van het goddelijke, van het volstrekt heilige. Het is hetzelfde diep religieuze gevoel dat Isaias , de profeet, bij zijn roepingsvisioen doet uitroepen: „wee mij, ik ben verloren! Want ik heb met eigen ogen mijn Koning, Jahweh der heirscharen, aanschouwd, ik een mens met onreine lippen en verblijvend onder een volk met onreine lippen” ( Is. 6, 5 ). De afstand tussen God en de mens is oneindig en er zijn ogenblikken (begenadigde en ontstellende tegelijk) dat deze onvergelijkbaarheid zich aan de geest des mensen opdringt met de felle klaarte van een bliksemschicht.

2. Toen de rijke jongeling Jezus als „goede Meester” had aangesproken, antwoordde de Heer, bijna ruw: „Wat noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen” ( Mk. 10, 18 ). Alle mensen zijn uit zichzelf zondig en slecht. „Indien gij dan, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen …” ( Mt. 7, 11 ). Deze woorden van onze zachtmoedige Meester mogen ons enig denkbeeld geven van de volstrekte noodzakelijkheid der nederigheid. De mens is altijd opnieuw geneigd zichzelf te vergelijken met anderen en zich hoger te achten dan die anderen. Al deze vergelijkingen zijn uit den boze. Laat hij zich vergelijken met God en vernietigd zwijgen. Dan blijft hem geen ander woord dan: „Ga weg van mij, Heer” . Al zou ik mijn hele leven geen zware zonde bedrijven, dan nog moet ik mij diep vernederen voor de oneindige Majesteit. Ik moet weten dat ik het alleen aan Gods genade en de omstandigheden, dat is, aan zijn voorzienigheid dank, als ik niet val in de zonde welke anderen bedrijven. „Ik ben een zondig mens” : allen zijn wij dat. Nederigheid bestaat nooit in een valse houding of onechtheid; ze is een realiteitszin en -erkenning in het geestelijke. Maar als ik de geestelijke werkelijkheid van Gods wezen en het mijne enigermate doorschouwde, zou zich een grondeloos diepe deemoed en een huiverende eerbied van mij meester maken, zonder dat daarin ook maar iets geforceerds aanwezig was.

3. De nederige en minnende ziel voelt zich in het gebed als door een tegenstrijdige beweging aangegrepen. Zij wordt tot God getrokken met een onstuimig verlangen als tot haar enig goed, maar tegelijk blijft zij zich haar grenzeloze onwaardigheid bewust, die haar te midden der goddelijke liefdegaven doet uitroepen: „Heer, ga weg van mij.” Maar wil zij werkelijk, dat de Heer weggaat? Haar enig begeren is bij de Heer te zijn; haar enige smart dat zij nog altijd moet zeggen: „Ga weg van mij” , tot de grote zuivering zal zijn voltooid en zij het lied der ongestoorde liefde zingen mag: „Mijn Beminde is mijn en ik ben van Hem” ( Hoogl. 2, 16 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)