Maand: juli 2015

Het kindschap Gods

263. Vrijdag na de Achtste Zondag na Pinksteren

„Gij hebt de geest van kindschap ontvangen, die u doet roepen: Abba , Vader” ( Rom.8, 15 ; epistel van de Zondag).

1. Wat een mens tot christen maakt is zijn verhouding tot God. De christen onderscheidt zich van de andere mensen door zijn verhouding tot God die de betrekking is van het kindschap. De christen is aangenomen kind van God, want hij is het niet van nature, zoals de enige Zoon; maar het is niet, zoals bij adoptie onder de mensen, een juridische verhouding die het wezen onveranderd laat. Door de genade immers krijgt hij deel aan Gods natuur ( 2 Petr.1, 4 ) en de Geest van het kindschap stelt hem in staat als kind van God te leven. Wij mogen wellicht trachten ons aldus deze verhouding voor te stellen. Door het geloof en door de gaven van de Heilige Geest denkt de ware christen over God niet meer op menselijke en aardse, maar op geestelijke wijze. Dit betekent niet enkel dat hij aanneemt dat God bestaat en dat hij gelooft in het wezen en de eigenschappen Gods. Het betekent veel meer. God is voor hem werkelijkheid, de eerste en de hoogste, degene, voor wie hij bestaat, in wie hij leeft, met wie hij leeft. Zijn kennen van God is een geestelijk ervaren van God, dat een innige, persoonlijke verhouding schept. Hij heeft er wéét van dat hij kind van God is. Deze verhouding wordt gekenmerkt door het vertrouwen , door de gesteltenis dus waarin wij, vanuit de diepte van ons bewustzijn en met de krachtige zekerheid gehoord te worden, tot God roepen mogen, zoals Jezus: Abba , Vader!” Dit vertrouwen betekent sterkte en vastheid te midden van de wisselvalligheid van de schepselen en van de eigen vergankelijkheid: zeker zijn van God, zeker zijn in God, zich laten dragen door de voorzienigheid van de Vader in de hemelen. Dit vertrouwen, ten slotte, brengt de liefde voort, waarin het kindschap zijn bekroning vindt. In de liefde wordt de verhouding van de mens tot God voltooid. Omdat hij Gods kind is kan hij God waarlijk beminnen. Zolang wij op aarde zijn is onze liefde een beminnen in de duisternis van het geloof en in de woestijn van het niet-bezitten, en daarom veroorzaakt zij in de christen de spanning van het verlangen, van de onrust naar God. Zulk een mens is verheugd om het kindschap en rustig door het godsvertrouwen, maar tevens begeert hij vurig naar het volmaakte kindschap door de aanschouwing en de verlossing van het lichaam.

2. Zolang de mens op aarde leeft, wordt het kindschap bedreigd door de duivel, de wereldse geest en de zelfzucht. Tegen deze gevaren moet de christen strijden. En tegelijkertijd moet hij het kindschap, de grootste genade hem geschonken, bevestigen door zijn verhouding tot God te beleven in het bewuste geloof en de beschouwing. Het Abba -Vader roepen behoeft niet te geschieden met luide klank van stem, maar wordt wel gedragen door een machtig besef, dat opwelt uit de diepten van onze geest. „De Geest zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen zijn van God” ( Rom.8, 16 ). Een mens die zijn hart verliest aan de zorgen en de vreugden van dit leven, die de moed en de volharding mist om altijd weer in te keren tot zichzelf om zichzelf te verliezen in God, in zulk een mens wordt Gods stem niet gehoord, in hem kan de geest van het kindschap niet groeien tot die volkomenheid die het normale einde van onze aardse loopbaan zou moeten zijn.

3. De christen zou, ook al leefde hij alleen op deze aarde, de schat van het goddelijke kindschap moeten bewaren en vermeerderen, want het is, naar zijn wezen, een geheim tussen God en hemzelf. Maar het kan niet anders of deze sterke en tedere verhouding verraadt zich naar buiten, in heel het leven. En zo moet het zijn. De ware christenen zijn „onberispelijke kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, zij moeten schijnen als lichtende sterren in de wereld” ( Phil.2, 15 ). Een mens, die door de volheid der genade kind Gods mag zijn, die het geheel durft te zijn, hij straalt voor Gods oog als een zon, in een wereld die de godloosheid met de dag doet toenemen. Zulke zielen kunnen een teken zijn door God gegeven aan de mensheid in dit einde der dagen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Bestendige nieuwheid

262. Donderdag na de Achtste Zondag na Pinksteren

„Als gij door de kracht van de Geest de praktijken van de zelfzucht versterft, zult gij het leven hebben” ( Rom.8, 13 ; epistel van de Zondag).

1. De Geest en de door Hem gewekte liefde moeten ons christelijk leven bewaren voor de verstarring van de ouderdom. Wat God ons in Christus heeft geschonken is een nieuw leven, een wedergeboorte, de nieuwe schepping. „Zie, Ik vernieuw alles.” En de genade die wij ontvangen is slechts een begin, een zaad dat moet ontkiemen, een onderpand van hoger goed. Daarom moet onze liefde voor God, ook als wijzelf ouder worden, eeuwig jong blijven en spontaan, en een onbevangen frisheid bewaren. De priester moet altijd kunnen zeggen, en de gelovigen met hem, als hij in het prille morgenuur de trappen van het altaar beklimt: „Ik zal opgaan tot het altaar Gods, tot God die mijn jeugd verblijdt” . „Zegen, mijn ziel, de Heer … die uw begeren met alle goeds verzadigt zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van de adelaar” ( Ps.102, 1. 5 ).

De grote kunst ook van de menselijke genegenheid is jong te blijven. Maar al te dikwijls verstart zij tot gewoonte, tot sleur en routine die de dood zijn van de liefde. Liefde is altijd scheppend, vindingrijk en vol verrassingen. Zij bezit een veerkracht en een soepelheid die zich niet laten breken. Zij is levende vlam.

Zo ook is de ware liefde voor God, en op bijzondere wijze. Zij verzet zich tegen het gewicht van de oude mens, die door zijn zwaarte een vast rustpunt zoekt. De zelfzucht wil een einde stellen aan de eisen van de liefde. Zij wil ergens zeker zijn van zichzelf en zeggen: Het is genoeg; hier begint het gebied waar ik mijzelf kan zijn. Maar de liefde erkent geen grens en heft de rust op.

2. Voor de praktijk van ons leven betekent dit dat wij onszelf geestelijk voortdurend moeten vernieuwen. Dat wij elke dag moeten beginnen met een nieuwe liefde voor God. Dat wij altijd weder met de Kerk bidden om genaden van vernieuwing en wedergeboorte. „Vernieuw u naar de inwendige geest” ( Eph.4, 23 ).

Het betekent dus dat wij ontvankelijk blijven voor de inspraken Gods en niet vertrouwen op onze gewoonten, zelfs niet op de goede gewoonten. Worden deze niet door steeds nieuwe liefde bezield, dan worden zij sleur en schuilplaatsen van het egoïsme, geestelijke stofnesten. Het betekent dat wij altijd nieuwe wegen vinden om God te behagen, nieuwe middelen om de naaste te helpen, nieuwe offers om de zelfzucht te kruisigen.Het moet altijd weer mogelijk zijn dat de zonde, onze zonde en die van de wereld, ons bedroefd maakt (laten wij niet spotten met de gave der tranen, deze nooit opdrogende bron, de compunctio van Gods minnaars), dat het heimwee naar de hemel ons hart grijpt als was het de eerste maal, dat wij in de liefderijke beschouwing verrast worden door de oneindigheid Gods en met Augustinus uitroepen: „O Schoonheid, eeuwig oud en eeuwig nieuw, te laat heb ik U gekend, te laat U bemind!”

3. Wij moeten de kracht tot deze bestendige vernieuwing van onze liefde zoeken in de zalige eenzaamheid met God. „Goed is het Gods heil in de stilte te verwachten” ( Klaagl.3, 26 ). Johannes van het Kruis schrijft ergens: „Vestig uw ziel in onthechting en in uiterste eenzaamheid” , en Augustinus : „Wie zal mij geven rust te vinden in U? Wie zal mij geven dat Gij komt in mijn hart en het bedwelmt zodat ik mijn ellende vergeet en U, mijn enig goed, omhels?” ( Conf. 1, 5). Indien wij menen het zo niet te kunnen, indien wij zo nog niet kunnen leven, dan wijzen deze woorden ons toch de richting waarin wij het zoeken moeten. Het is zeker dat de kracht tot de goddelijke liefde die een voortdurend sterven van mijn egoïsme betekent, niet kan komen van mijn natuur, dat is van mijzelf. God alleen kan het ons geven Hem te beminnen zoals Hij bemind moet worden. „Gij allen die dorst hebt, komt tot de wateren. Zoekt de Heer zolang Hij zich vinden laat” ( Is.55, 1. 6 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leven met God

261. Woensdag na de Achtste Zondag na Pinksteren

„Geef dat wij die zonder U niet kunnen bestaan, volgens uw wil mogen leven” (oratie van de Zondag)

1. De Romeinse liturgie houdt in haar oraties van spitse tegenstellingen in een bondige stijl uitgedrukt. Het gebed van de mis van de Zondag bevat er een, zo kernachtig, dat wij die in onze taal nauwelijks vermogen weer te geven. Letterlijk staat er: „Geef ons dat wij die zonder U niet kunnen zijn, volgens U mogen leven” . De eerste zinsnede grift ons weer diep in het bewustzijn, hoezeer wij als schepselen en zondige mensen totaal van God afhankelijk zijn. „Wij kunnen zonder U niet eens bestaan” , zonder uw almacht die met ons het zijn, alle zijn, alle werkelijkheid die er aan ons is, gegeven heeft en voortdurend blijft scheppen, — zonder uw wijsheid, die met alles omvattende voorzienigheid ons leven bestuurt in de grote lijn, ons veelal onzichtbaar, en in alle bijzonderheden, — zonder uw goddelijke goedheid, immer opwellende bron van het goede waaruit alle gaven ons toevloeien, — zonder uw barmhartigheid en lankmoedigheid, die ons vergiffenis schenkt en onze zwakheid weer opricht, die onze ellende verdraagt en draagt door alles heen.

2. En wij, die zonder U niet kunnen bestaan, wij durven vragen en wij moeten vragen, dat wij leven mogen volgens U . Wij die niets zijn, wij wagen het (en het is uw wil in Christus dat wij bestaan) te willen leven naar uw wil en wezen. Want uw kinderen zijn wij in Christus, uw eerstgeborene, die niet aarzelde ons eenvoudig te bevelen: „Weest volmaakt gelijk uw hemelse Vader volmaakt is” . Volgens U leven, dat wil allereerst zeggen: onze wil zo volkomen mogelijk afstemmen op uw goddelijke wil, die Gij ons openbaart in het voorbeeld van uw Zoon, in het evangelie, in de leiding van Christus’ Kerk, in de inspraken van ons geweten en uw genade, in de mogelijkheden van onze natuur, in de omstandigheden van ons leven. Kinderen gelijken op hun vader. „Weest navolgers van God, zoals past aan veelgeliefde kinderen” ( Eph.5, 1 ).

3. Maar zal het ons mogelijk zijn volgens uw wil te leven, zo wij niet trachten in U te leven? Wanneer wij zonder U niet eens het bestaan ons eigen kunnen noemen, hoe zullen wij het volmaakte leven volgens U vermogen te bereiken, indien wij niet leven met U en in U? Laat onze geest verwijlen bij U in geloof en beschouwing, opdat wij het doel zien en de weg, opdat wij U immer aanziende gesterkt worden tot het volmaakte leven. De oude heidense wijsgeer beschaamt ons, die het schone woord naliet: „Denk aan God vaker dan gij ademhaalt” ( Epictetus ,fragm.119). Dan zal in ons leven de goddelijke eenheid komen waarvan Jezus spreekt: „Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij tot volkomen eenheid geraken” ( Joh.17, 23 ), en het enig verlangen beheersen dat de dichteres bezingt:

„Uw straling schonkt ge me, uw kern nog niet,
Eén gave onthieldt ge me nog en ik derf
z’al nooder. Daarom vraag ik: eer ik sterf
geef me, al mocht het ook slechts éénmaal zijn,
mij te zonne’ in den glans van uw aanschijn.
Doorscheur ’t gezicht eener Alomme Tegenwoordigheid
éénmaal voor mij ’t weefsel van ruimte en tijd.
— Maar zoo ‘k dit beleven niet waardig ben,
laat dan aan d’overzij der diepe wateren
mijn wezen, als een pijl gericht,
toevliegen recht op uw Onmeetlijk Licht”

( Henriette Roland Holst-v.d.Schalk ,
Tussen Tijd en Eeuwigheid).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Erfgenamen van God

 

260. Dinsdag na de Achtste Zondag na Pinksteren

„Indien wij kinderen zijn, zijn wij ook erfgenamen, erven van God, delend in de erfenis van Christus” ( Rom.8, 17 ; epistel van de Zondag).

De apostel redeneert hier, zoals hij gaarne doet, vanuit de instellingen van het menselijke leven om bovennatuurlijke werkelijkheden te verduidelijken. Kinderen zijn de van nature aangewezen erfgenamen van hun ouders. Als het dus waar is, dat wij door het doopsel en de Geest kinderen Gods zijn geworden, dan hebben wij ook een heerlijk erfdeel te verwachten, een goddelijke erfenis, die Christus, de eerstgeborene onder vele broeders, door zijn bloed heeft verworven. En in het vervolg van dit allerschoonste achtste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen beschrijft Paulus de glorie die ons wacht, „indien wij tenminste ook delen willen in Christus’ lijden” .

1. Wij kunnen de vergelijking veilig doorzetten. Aardse erfgenamen getroosten zich gaarne offers om de buit van een rijke erfenis deelachtig te worden. Zij leven in gespannen verwachting en verachten kleine winsten die anderen zich moeizaam verwerven. Indien wij de hemelse glorie werkelijk beschouwden als het ons toekomende „deel der heiligen in het licht” ( Kol.1, 12 ), indien wij werkelijk wisten „welke hoop Gods roeping wekt” ( Eph.1, 18 ) in oprechte harten, zou dan niet onze hele levenshouding anders worden? Zou dan niet met name onze waardering van de aardse goederen een grondige wijziging ondergaan? Gedragen zij die zich druk maken om geldelijk verlies of gewin, die tijdelijke tegenslag van welke aard ook nog als een ramp duchten, zich als erfgenamen Gods? Hoe verschillend waren de taal en de gevoelens van de grote apostel: „Alles wat voor mij winst betekende, heb ik om Christus’ wil schade geacht … Om zijnentwil heb ik alles prijsgegeven en ik beschouw het als afval, opdat ik Christus moge winnen” ( Phil.3, 7. 8 ). En wat Paulus met vreugde versmaadde om reeds op aarde zo innig mogelijk met Christus verenigd te zijn, was niet een som gelds of wat vluchtig genot, maar de eer en achting van zijn volksgenoten en zijn hele verleden. Het geloof had een radicale verschuiving teweeggebracht in zijn waardebepalingen.

2. Zij die op een gulle erfenis rekenen, leven in blijde hoop. Dit is de positieve kant. Moeten wij als erfgenamen Gods de geschapen goederen vergeleken bij de hemelse minachten in de zin van minder achten (maar dan ook oneindig minder achten), een vreugdevolle verwachting moet ook als positieve levenskracht onze ziel vervullen. „Verblijdt u in de Heer te allen tijde. Nogmaals verblijdt u … De Heer is nabij” ( Phil.4, 4-6 ). Deze hoop verleent zekerheid aan ons leven en sterkte om geduldig te volharden.

3. De Heef geeft ons een voorsmaak van de hemelse erfenis in het offer der mis en het gastmaal der heilige communie. Welk een geestelijke vreugde voor hem die gelooft wordt ons geschonken in het prille morgenuur van elke dag die God ons geeft! Pignus futurae gloriae : het onderpand der toekomstige heerlijkheid. Laat de wereld lachen om dit onbegrepen geheim, laat de lauwe christen achteloos aan Gods gave voorbijgaan, het vurige christenhart rent naar dit manna en proeft de vrucht des levens dag aan dag. „Wie overwint, hem zal Ik te eten geven van de boom des levens, die staat in Gods paradijs” ( Openb.2, 7 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)