Maand: juli 2015

Deemoed

259. Maandag na de Achtste Zondag na Pinksteren

„Een nederig volk zult Gij redden, Heer, maar de ogen der hoogmoedigen vernederen” ( Ps.17, 28 ; offertorium van de Zondag).

De Kerk, het door hemelse roeping bijeengebrachte en voor de eredienst verzamelde volk Gods, voelt zich, naar het voorbeeld van haar hoofd Christus, in deze aardse staat een nederig volk . Als zij het offer gaat brengen, heeft zij zich tevoren, door de lezing van Gods woord, opgewekt tot zelfkennis en tot deemoedig besef van de onwaardigheid van haar kinderen. Het offer der mis sluit ook in de nederige erkenning van de eigen ontoereikendheid en de eerbiedige aanbidding van de goddelijke majesteit.

1. Voor de niet-christen zal het altijd moeilijk verstaanbaar wezen, waarom de nederigheid in het christendom een deugd is en zelfs een fundamentele deugd. Rechtvaardigheid, naastenliefde en vele andere kan men waarderen, maar de taal en de houding der nederigheid lijkt ofwel onecht ofwel de vrije menselijke persoonlijkheid onwaardig. Reeds het antieke heidendom had voor deze deugd geen equivalent en zelfs geen afzonderlijke woorden. Van de andere kant is het zeker, dat de nederigheid in de openbaring zowel van het Oude alsook van het Nieuwe Testament en in de christelijke overlevering een heel voorname plaats inneemt. „God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij zijn genade … Heer, wees mij zondaar genadig … Wie zich vernedert zal verheven worden.” De traditie heeft deze en vele andere godswoorden goed verstaan vanaf de eerste tijden. In de oude monniksregels spreekt men van de graden en trappen der nederigheid, alsof deze deugd het kort begrip der gehele christelijke volmaaktheid vormt. En nog altijd ruimt de ascetische literatuur voor de nederigheid een grote plaats in.

2. Zowel voor de christen als voor de niet-christen is het van het grootste belang zich een juist begrip van deze deugd te vormen. Door een juiste begripsbepaling kunnen vele misverstanden wegvallen. Nederigheid is alleen denkbaar binnen het kader van de geopenbaarde godsdienst, alleen daar, waar men in het bestaan van een transcendente, mens en wereld doordringende en tevens oneindig te boven gaande God gelooft. Want men zou haar kunnen omschrijven als die geestelijke houding, welke, gegrondvest op de niet te overbruggen afstand van Schepper tot schepsel, de mens doet buigen voor God en hem belet zich te verheffen boven de evenmens. De nederige mens is zo doordrongen van eerbied voor Gods majesteit en van zijn eigen geringheid in betrekking tot God , dat hij de reële verschillen van mens tot mens niet bijster belangrijk meer kan vinden. Hieruit volgt, dat alleen de werkelijk religieuse mens nederig kan zijn, dat deze deugd niets te maken heeft met wat men minderwaardigheidsgevoelens pleegt te noemen, dat ze eigenlijk niets anders is dan een staan in de integrale werkelijkheid en een erkenning daarvan. Nederigheid is waarheid, zegt men vaak. Dit is juist, mits men waarheid verstaat als de door de openbaring gekende werkelijkheid en de erkenning van de waarheid in het begrip der nederigheid insluit.

3. Want daarop komt het aan. Men moet de werkelijkheid willen zien . Nederigheid is voor alles een zaak van verhoudingen, het zien van de proporties der werkelijkheid. Nederigheid is zich laag en gering weten ten aanzien van God, maar dan ook ten aanzien van God alleen en niet ten opzichte van een mens (tenzij deze in een of ander opzicht God voor mij vertegenwoordigt, maar dan geldt mijn nederigheid niet hem doch God). Wel zal het besef van eigen zondigheid en geringheid de deemoedige mens een bescheiden en nederige houding geven in de omgang met zijn medemensen. Hij zal zich als mens niet beter achten dan wie ook en zich gedragen volgens deze overtuiging. Maar het fundament van alle nederig handelen is en blijft de erkenning van ’s mensen verhouding tot God. „Vernedert u onder Gods machtige hand …” ( 1 Petr.5, 6 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De domheid van de kinderen des lichts

258. Achtste Zondag na Pinksteren

In het evangelie van vandaag leren wij de gelijkenis van de sluwe, gewetenloze rentmeester ( Lk.16, 1-9 ). Wij kennen allen deze parabel die ons toch telkens weer een weinig verwonderd achterlaat. Wat bedoelt Jezus? Hij wil ons leren een goed gebruik te maken van het geld. Maar is dat het enige? En waarom kiest Hij dan dit beeld van wereldse sluwheid en bedrog? Een rentmeester had jarenlang zijn heer bestolen. Als hij ziet dat het niet langer gaat, vindt hij op het laatste nippertje het middel om zijn egoïstisch herenleven voort te zetten zonder te werken. Het middel is volkomen onrechtvaardig maar daarom niet minder doeltreffend. Hij maakt de schuldenaars van zijn heer tot zijn medeplichtigen door te hunnen bate de schuldbekentenissen te vervalsen. Zo zijn zij hem welgezind en zullen hem, als de slag eenmaal gevallen is, bij zich opnemen. Daar genesteld zal hij er zich weten te handhaven, want zij kunnen niets tegen hem ondernemen zonder zichzelf in verlegenheid te brengen.

1. „En de Heer prees de onrechtvaardige rentmeester omdat hij met overleg had gehandeld.” Jezus prijst de man niet, omdat hij onrechtvaardig was maar omdat hij slim was, en Hij voegt er aan toe dat „de kinderen dezer wereld onder elkaar en in hun sfeer gewoonlijk met meer overleg te werk gaan dan de kinderen des lichts” . Hij bedoelt niet (wat overigens ook waar is) dat de wereldse mensen slimmer zijn dan de kinderen des lichts en dezen op het wereldse terrein gemakkelijk de baas blijven, maar Hij wil zeggen dat de aards gezinde mensen op hun gebied met meer overleg en consequentie te werk plegen te gaan dan de vromen in hun eigen sfeer . En hier ligt de les van de gelijkenis. Gebruikt ook in het geestelijk leven uw verstand, ziet vooruit en berekent de gevolgen, — en als gij eenmaal uw besluit hebt genomen en uw methode bepaald, handelt dan daarnaar consequent en doelbewust. Als de christenen de helft van het overleg en de energie, die de mensen besteden aan hun vooruitgang in het tijdelijke, aan het verdienen van geld en het verwerven van macht, zouden aanwenden om hun zelfzucht te overwinnen, hun naaste lief te hebben en God alleen te zoeken, zou de wereld een ander aanschijn vertonen. Wij handelen in de dingen van het rijk Gods niet met overleg. Het is niet alleen een kwestie van een gebrek aan goede wil. Wij denken niet na. Wij gaan te werk zonder systeem, zo wat te hooi en te gras: dan weer nemen wij een oud voornemen op, dan weer laten wij het liggen voor iets anders; wij werpen ons op bijkomstigheden, terwijl wij de hoofdzaak (Gods wil voor mij) vergeten. Soms zien wij klaar in wat het zwaarste moet wegen: de liefde tot God, het gebed, de zelfverloochening, maar wij verzuimen de consequenties te trekken, wij weigeren eens even praktischdóór te denken over hetgeen uit die beginselen voor mij persoonlijk voortvloeit om dan daaraan met volharding vast te houden. Of wij geraken in geestdrift voor idealen van het innerlijke leven en nemen heldhaftige besluiten, maar houden geen rekening met onze mogelijkheden, met onze krachten van natuur en genade op dit bepaalde tijdstip van ons leven en brengen aldus weinig of niets tot stand. Overleggen en vooruitzien!

2. En dan geeft Jezus een voorbeeld van verstandig christelijk handelen, een voorbeeld dat tegelijkertijd de onrechtvaardigheid van de oneerlijke rentmeester moet wegvagen, zodat alleen zijn slimmigheid overblijft. „Ik zeg u: „maakt u vrienden met behulp van de ongerechte mammon, opdat, wanneer hij u komt te ontvallen, men u moge opnemen in de eeuwige tenten.” ” Wie Jezus kent wist toch al lang dat de Meester de innerlijke waarde van geld en goed niet bijster hoog aanslaat. Christelijk overleg blijft altijd anders dan gewone menselijke voorzichtigheid, omdat het verder ziet dan deze wereld. Daarom zal het christelijk verstandig gebruik van geld dikwijls veel lijken op een roekeloos wegsmijten. Maar wat kan een christen beter aanvangen met de onrechtvaardige mammon dan door hem tijdig prijs te geven zich een eeuwige schat te verwerven? Dat getuigt van overleg en vooruitzien.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Liefde

257. Zaterdag na de Zevende Zondag na Pinksteren

„Weest eenvoudig als de duiven.” Toen de apostelen twistten over de voorrang in het rijk Gods, stelde Jezus hun een kind ten voorbeeld. Eenvoud moet ons geestelijk leven kenmerken. Wij hebben vele plichten, wij leven in de meest verscheiden omstandigheden, het kan zijn dat wijzelf van nature of door opvoeding of door beide gecompliceerd zijn, al te bedachtzaam, aarzelend, onzeker. Misschien hebben wij door geestelijke matheid, door dorheid of inwendig lijden het klare uitzicht verloren. Voor ons allen, zonder uitzondering, blijft het nodig telkens opnieuw ons te bezinnen op de evangelische eenvoud die aan het christelijk leven eigen is. Het moet recht door zee gaan, uit één stuk en bezield door enkele grote beginselen. Deze eenheid, deze eenvoud heeft Jezus mogelijk gemaakt door ons leven te stellen in het teken van de liefde. De liefde tot God uit alle krachten der ziel en de liefde voor de naaste maken het wezen uit van Jezus’ boodschap aan de mensheid. Echte liefde verleent eenvoud aan het leven, want zij overheerst en leidt alle gevoelens. Wie bemint is niet onzeker. Door de liefde te maken tot het grootste en eerste gebod heeft Christus de godsdienst vereenvoudigd en verdiept, en binnen het bereik gebracht van iedere mens van goede wil. Wij zijn Hem daarvoor grote erkentelijkheid verschuldigd. Zij wij door de zonde van Hem afgedwaald, berouwvolle liefde voert ons terug, onmiddellijk en volkomen. Gevoelen wij ons kleinmoedig en machteloos, vertrouwvolle liefde doet ons delen in zjn kracht. Niet allen zijn geroepen de maagdelijkheid te beoefenen, slechts zelden worden grote daden en heldhaftigheid van ons gevraagd, maar beminnen kan elk mens die die naam verdient. En hij kan dat elk ogenblik van de dag. Dit is de zin van de kleine weg der heilige Teresia van Lisieux . De christen versmaadt ook het geringste niet, omdat hij weet dat het door de liefde waarde krijgt voor God, die hij wil behagen. „Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, verricht alles ter ere Gods” ( 1 Kor.10, 31 ).

2. En vergeten wij niet dat trouw in het kleine en trouw in de dagelijkse plicht het heldhaftige benadert, als zij zich voortdurend laat leiden en bezielen door de liefde tot God. Beproef het slechts! Velen volbrengen trouw hun plicht wat het werk en de daad betreft, weinigen echter doen het steeds met liefde en uit liefde. En alleen zó zal het leven van elke dag ons heiligen, omdat slechts de liefde de zelfzucht kan overwinnen en een ander mens van ons maken. Velen volbrengen hun werk uit sleur of uit een soort dwang, omdat zij niet goed anders kunnen of durven; anderen weer doen hun plicht met grote ijver en opgewektheid, maar gedreven door eerzucht of hebzucht of althans zo, dat zij zich te zeer hechten aan het aardse en innerlijk niet zuiver op God gericht blijven.

3. „Eenmaal zult gij het examen van de liefde moeten doorstaan. Leer daarom God beminnen zoals Hij bemind wil worden, en geef het uwe prijs.” De liefde zal bij het oordeel rechter zijn over al onze daden; haar alleen kunnen wij medenemen in het andere leven. „Wie zijn leven verliest om Mij en het evangelie, zal het redden” ( Mk.8, 35 ). De liefde die Jezus van zijn leerlingen vraagt is ten slotte de grote en volkomen liefde, de grote en volkomen overgave. Het is daarom ook dat Johannes van het Kruis , trouw aan de leer van zijn Meester, aan het grote gebod der liefde onmiddellijk het gebod van de zelfverloochening uit liefde toevoegt. Het een gaat niet zonder het ander. Wie, misleid door de zoete klank van het woord liefde, in de dienst des Heren zoetheid zoekt zonder kruis, zal het doel nooit bereiken. „God ziet liever uw bereidwilligheid om in dorheid te verblijven en te lijden om zijnentwil dan dat gij alle vertroostingen, visioenen en verheven gedachten zoudt genieten.”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Apostolische armoede

256. Vrijdag na de Zevende Zondag na Pinksteren

„Wees niet bezorgd, klein kuddeke, want het heeft uw Vader behaagd u het koninkrijk te geven. Verkoopt uw bezittingen en geeft er aalmoezen van. Schaft u beurzen aan die niet slijten, een onuitputtelijke schat in de hemel, waar geen dief bij kan komen en waar geen mot hem wegvreet. Want waar uw schat is, daar is ook uw hart” ( Lk. 12, 32-34 ). Wij lezen deze woorden meermaals op de feestdagen van de heilige belijders. Jezus sprak aldus tot zijn leerlingen, tot degenen die niet alleen in Hem geloofden maar Hem ook wilden volgen. De heiligen hebben deze woorden in beoefening gebracht, naar de geest en dikwijls ook naar de letter. De apostelen zelf leefden naar deze normen. Toen Jezus hen voor het eerst uitzond, „gebood Hij hun niets mee te nemen voor onderweg dan alleen een staf; geen brood, geen reiszak, geen geld in de gordel …” ( Mk. 6, 8 ). „Als gij eenmaal ergens een huis zijt binnengegaan, blijft daar dan totdat gij die plaats verlaat” : de apostelen hadden recht op gastvrijheid, maar zij mochten niet van hun zending profiteren om zich achtereenvolgens door alle notabelen te laten onthalen.

1. Deze vermaningen van de Heer betekenen op de eerste plaats, dat Hij van zijn apostelen en van allen die hun werk voortzetten, een zeer grote onthechting vraagt. Want wij mogen geen slaven van de letter zijn en niet menen dat deze woorden van Jezus ons niets meer te zeggen hebben, omdat wij leven in andere verhoudingen. Het gaat niet om de staf en de sandalen, het gaat om de geest van onthechting die de apostelen in alle tijden en in alle omstandigheden moet bezielen, om die volkomen vrijheid ten opzichte van bezit en comfort die Jezus’ leerlingen kenmerkt. En het is, gezien de menselijke natuur, uitgesloten dat deze geest bestaat, indien hij zich niet uit in het stoffelijke. De wijze waarop armoede en onthechting worden beoefend, kan verschillend zijn, zonder werkelijke ontbering en werkelijke versterving wordt deze innerlijke vrijheid door de mens (die geen engel is) niet veroverd.

2. Maar wat Jezus vooral bedoelt is wat wij de positieve keerzijde van de onthechting kunnen noemen: het vertrouwen op de Vader, wie het behaagd heeft aan de kleine kudde het rijk te geven. Doordat de apostelen zo onbezorgd, zo hemels zorgeloos op weg gaan, demonstreren zij, vóór alle prediking, door hun zijn en doen alleen al, dat het rijk werkelijk het rijk Gods is en niet steunt op menselijke machtsmiddelen. Apostolische armoede is een openbaring van het godsrijk, in het stoffelijke. Door die ontbering van de boden Gods krijgen de mensen het vermoeden van iets wat hoger staat dan de stof. Het is de onthulling van een geestelijke waarde door materiële ontbering. Het trekt de geest van de mens van de aarde weg. Daardoor verkrijgt de verkondiging van het woord Gods ongekende kracht; door de armoede der apostelen immers blijkt dat hun woorden niet louter woorden zijn, maar dat hun overtuiging ingrijpt in de werkelijkheid van het zijn. Waar uw schat is, daar is uw hart: de volgelingen van Christus moeten aan de wereld tonen dat hun schat niet op deze aarde ligt. De botheid van de mens ten aanzien van het geestelijke eist dat deze les overduidelijk is.

3. Christus vraagt niet aan allen dat zij Hem volgen in de vrijwillige, werkelijke armoede. Wel eist Hij van allen die zijn naam dragen, dat zij hun hart vrijmaken van de gehechtheid aan geld en goed en dat zij aan de wereld die verscheurd is door de strijd om stoffelijke dingen, tonen dat zij leven voor de onzichtbare goederen. Een van de oorzaken, en niet de minste, van de ellende waarin ons geslacht is gedompeld, is de ontrouw van vele christenen aan dit ideaal dat Jezus ons als plicht voorhoudt en dat de Kerk zo dikwijls noemt als terrena despicere et amare caelestia : uit liefde voor de hemelse goederen de aardse dingen minder achten. En wie die zijn gekruisigde Meester eerlijk wil liefhebben, zou zich niet schamen zo weinig op Hem te gelijken? „Hoe moeilijk zullen degenen die geld hebben, het koninkrijk Gods binnengaan” ( Mk. 10, 32 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)