Maand: augustus 2015

Nieuwe Antwerpse kerken op Google Maps

In een vorig artikel zette ik uiteen hoe eenvoudig het is om een publieke locatie, dus ook een kerk, toe te voegen aan Google Maps zodat gebruikers die gemakkelijk kunnen vinden. Het heeft me enkele uurtjes gekost, maar sinds publicatie van het artikel is het Antwerpse kerklandschap op Google Maps zowat volledig. Aan jou om ook de kerken in jouw buurt vindbaar te maken!

Niet enkel de gebruikers van Google Maps vinden zo je kerk, ook via de gewone Google zoekopdrachten krijg je meteen een kaartje met de locatie van je zoekresultaat:

Resultaat van een zoekopdracht naar een kerk die op Google Maps bekend is
Resultaat van een zoekopdracht naar een kerk die op Google Maps bekend is

Dit zijn de nieuwe Antwerpse kerken op Google Maps:

https://www.google.com/maps/place/Sint-Walburgiskerk
https://www.google.com/maps/place/Parochie+Sint-Antonius
https://www.google.com/maps/place/Heilige-Geestkerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Jan-De-Doperkerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Bernarduskerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Benedictuskerk
https://www.google.com/maps/place/Onze-Lieve-Vrouw-Boodschapkerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Jan-Baptistkerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Gertrudiskerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Eligiuskerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Lambertuskerk
https://www.google.com/maps/place/Heilig-Kruiskerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Martinuskerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Rumolduskerk
https://www.google.com/maps/place/Blijde-Boodschapkerk
https://www.google.com/maps/place/Heilige-Familiekerk
https://www.google.com/maps/place/Onze-Lieve-Vrouw-Van-Altijddurende-Bijstandkerk
https://www.google.com/maps/place/Heilige-Bernadettekerk
https://www.google.com/maps/place/Onze-Lieve-Vrouw-Van-De-Bloeiende-Wijngaardkerk/
https://www.google.com/maps/place/Sint-Annakerk
https://www.google.com/maps/place/Onze-Lieve-Vrouw-van-het-Heilig-Hartkerk
https://www.google.com/maps/place/Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuwkerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Franciscus-Xaveriuskerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Pauluskerk
https://www.google.com/maps/place/Heilige-Familie-en-Sint-Corneelkerk
https://www.google.com/maps/place/Sint-Jan-Evangelistkerk
https://www.google.com/maps/place/Onze-Lieve-Vrouw-Boodschapkerk

Zoetheid en sterkte

296. Woensdag na de Dertiende Zondag na Pinksteren

Communio en postcommunie van de Zondag beide hebben rechtstreeks betrekking op de eucharistie, de nuttiging van Christus’ lichaam, die zij begeleiden en volgen. Gelijk dikwijls, zo ook hier: als wij er slechts in slagen deze oude en krachtige teksten aandachtig te lezen, als de Heer ons inzicht schenkt en de natuur niet tegenwerkt, dan vinden wij sterkend meditatievoedsel, dan flitsen lang gekende waarheden in een nieuw licht voor ons op. De communiezang is een vers uit het boek Sapientia , dat in de weidse taal van Alexandrijnse wijsheid de goddelijke gave van het manna bezingt en dat de Kerk met volle recht toepast op de spijze der heilige communie: „Brood uit de hemel hebt Gij ons geschonken, o Heer, dat alle genot in zich bevat en louter zoete smaak” ( Sap.16, 20 ). Het gebed na de communie spreekt de sobere en strenge taal der Romeinse liturgie: „Wij bidden U, o Heer, dat wij door de nuttiging van de hemelse geheimen vorderen mogen op de weg der eeuwige verlossing” . De eucharistie betekent zoetheid der ziel en verlossende kracht tegelijk.

1. Zoetheid en genot zijn woorden waarmee de H.Schrift zowel als de liturgie spaarzaam werken. De Kerk weet te goed dat christelijk leven offers vraagt van onze zelfzucht en dat ware geestelijke zoetheid in het begin van onze kruisweg minder voorkomt dan wij denken. Zij is er zich ook van bewust dat het woord genot door hedonisten van oude en nieuwe tijd een slechte klank heeft gekregen en al te gemakkelijk verkeerde associaties oproept. Maar tevens kan zij haar overtuiging niet verloochenen dat de volmaakte dienst des Heren zoet is en zij herinnert aan Jezus’ woord: „Mijn juk is zacht en mijn last is licht” ( Mt.11, 30 ) en dat andere van de psalmist: „Smaakt en proeft hoe goed de Heer is” ( Ps.9, 33 ). En zij gedenkt bovenal het hemelse manna, het voedsel „aan elke smaak aangepast” , dat de Heer in zijn liefde naliet voor zijn volgelingen als zoete teerspijs op de harde weg. Aan de tafel des Heren rusten wij een weinig van de dagelijkse strijd, aan de bron der zoetheid ons verkwikkend met geloof, onder de sluier der gedaanten Hem smakend en bezittend die onderpand is der eeuwige verlossing.

2. Want wel is ons de belofte geschonken waarvan het epistel spreekt, maar ons heil is nog niet voltooid. Moeizaam schrijden wij voort op de weg naar „de eeuwige verlossing” en het volmaakte kindschap. Op die weg geven de „hemelse geheimen” ( „geheim” : want alleen het geloof dringt hier door; „hemels” niet aards is dit voedsel dat aan aardse mensen wordt gereikt) ons kracht. Wij mogen in de communie als Johannes rusten aan de borst des Heren, ons laven aan zijn zoete liefde, – om door zijn Geest gesterkt verder te gaan en de goede strijd van Christus te strijden in ons leven.

Geloof in de verlossende kracht van de eucharistie! Zo de banden van zonde en wereld nog knellen, zo wij ons nog niet in staat voelen die boeien los te maken om te komen tot de zuivere liefde, laat ons dan met onbegrensd geloof en vertrouwen deelnemen aan de viering der „hemelse geheimen” , die Christus dagelijks onder ons bereik stelt. Wat wij niet vermogen, zal zijn gave ons schenken. De bron der heiligheid zelf staat open voor onze ellende en ons verlangen. Gedenk Jezus’ woorden en geloof in de volle werkelijkheid en hemelse ernst van zijn beloften: „Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven … Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem ( Joh.6, 54. 56 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

In de handen van de Vader

295. Dinsdag na de Dertiende Zondag na Pinksteren

„Op U, Heer, heb ik mijn vertrouwen gesteld. Ik zeide: „Mijn God zijt Gij, in uw handen rust mijn lot” ( Ps.30, 15. 16 ; offertorium van de Zondag).

1. Een schoon psalmvers van godsvertrouwen, gelijk er vele staan in het psalterium . Wanneer wij op onze westerse wijze deze uiting der ziel die één levend geheel vormt, willen ontleden, kunnen wij drie delen onderscheiden: de uitspraak zelf van het vertrouwen ( „Op U, Heer, heb ik mijn vertrouwen gesteld” ), de diepe grond ( „mijn God zijt Gij” ;vgl.meditatie 271) en de consequentie er van ( „in uw handen rust mijn lot” ). Deze consequentie van het godsvertrouwen behelst meer dan het constateren van een feit, zij vordert een houding van de ziel. Zij eist dat wij ons lot niet in eigen hand trachten te nemen, maar het overlaten aan Hem bij wie het geheel berust. In verband hiermee zien wij, hoe soms zelfs de tekstkritiek ons geheel kan dienen. De laatste zinsnede luidt namelijk in de gewone vulgaattekst (en de oude Griekse vertaling) letterlijk: „in uw handen rust mijn lot . Maar in de oude Latijnse vertaling die het missaal gebruikt, staat eigenlijk: „in uw handen rust mijn tijden , precies zoals de oorspronkelijke, Hebreeuwse tekst luidt; als de psalmist wil zeggen: alle tijden van mijn leven, alle omstandigheden, groot en klein, alle dagen, gewichtig en gewoon, liggen besloten in uw hand. Zij zijn bepaald door uw macht, zij rusten in uw hand. Zij zijn bepaald door’ uw macht, zij rusten in de vaderlijke zorg, de sterke en tedere hand van uw voorzienigheid. Als we alleen op de Latijnse tekst letten, kunnen we zelfs vertalen: „mijn slapen rusten in uw hand” ; zoals de moeder haar handen legt om het hoofd van haar kind, dat moe is en afgetobd en eindelijk teruggekeerd van de wilde omzwerving. De brandende slapen worden afgekoeld, de onstuimige harteklop keert weder tot vertrouwde geborgenheid. Zo is het beeld van de ziel die waarlijk op God betrouwt, die met Jezus die andere woorden uit dezelfde psalm tot haar eigen mag maken: „In uwe handen beveel ik mijn geest. Gij hebt mij verlost, Jahweh, trouwe God. Want de Heer is een eeuwige Rots” ( Is.26, 4 ).

2. Wij handelen veelal alsof het godsvertrouwen alleen te pas komt in tijden van nood, in de grote onzekerheden van ons bestaan. Deze opvatting is fout en oorzaak dat ons leven veel moeilijker verloopt en minder vruchtbaar in geestelijk opzicht dan in Gods bedoelingen ligt. Ons gehele leven is onzeker, wanneer wij het beschouwen van beneden af, van onszelf uit, zoals wij onvermijdelijk doen, indien wij het in eigen hand nemen en zelf trachten te regelen. Het is hierom ook dat het godsvertrouwen een grote zelfverloochening vraagt, een opgeven van onze eigen berekeningen, een loslaten van onze greep. En wij weten heel goed dat onze eigen voorzienigheid slechts ingebeeld is, dat wij ons lot niet in onze macht hebben, noch in de grote lijn noch in de details. Toch kunnen wij het bijna niet laten deze geestelijke zelfgenoegzaamheid na te streven, totdat het leven zelf ons ontglipt en zijn zware slagen ons onze ontoereikendheid opnieuw inhameren.

Hoeveel gemakkelijker leeft hij die zijn lot geheel aan God overlaat, die zijn hoofd in Vaders handen laat rusten. En hoeveel zuiverder beantwoordt hij aan de diepe werkelijkheid des levens; hoeveel realistischer is deze zeldzame houding der ziel die ons de onbevangenheid teruggeeft van het kind ! „Zalig die de Heer vreest. Naar wie ziet hij uit en wie is zijn steun? De ogen des Heren rusten op wie Hem beminnen. Hij is een machtig schild en een sterke stut, een beschutting tegen hitte, een schaduw voor de middagzon, een steun bij het struikelen en een hulp bij vallen. Hij verkwikt de ziel en verlicht de ogen. Hij schenkt heil en leven en zegen” ( Eccli.34, 17-20 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Dankbaarheid

293. Dertiende Zondag na Pinksteren

„Toen Hij een dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatsen tegemoet, die van verre bleven staan en met luider stem riepen: „Jezus, Meester, ontferm U onzer” (evangelie, Lk.11-19 ).

1. Deze ongelukkigen, aangetast door de ongeneeslijke en afzichtelijke kwaal, buiten de maatschappij gestoten, levend dood, — zij zijn het beeld van het menselijk geslacht, overgeleverd aan zonde en dood. Treden wij voor Christus de Heer, in het diep bewustzijn van de zondigheid en verlorenheid die ons eigen is. Ons leven is van Hem, van Hem alleen. Vergeten wij onze oorsprong niet, belijden we onze zonden, verheffen we onze stem in zijn naam en uit naam van allen die Hem kennen noch aanroepen willen: „Jezus, Meester, enige bron van leven en heil, erbarm U onzer” . Bedenk hoe van Hem geschreven staat: „Hij had medelijden met de scharen, want zij waren uitgeput en lagen daar als schapen zonder herder” . Nog immer is de oogst groot, maar werklieden, de echte die zichzelf vergeten willen, zijn er weinig ( Mt.9, 36. 37 ). De Kerk, de Moeder der mensheid, treedt in de heilige liturgie voor haar Heer en Bruidegom en spreekt: „Meester, heb medelijden” .

2. Wij die door Gods genade deel uitmaken van zijn uitverkoren volk, die door doop en geloof zijn geworden „geliefden Gods, geroepenen, heiligen” ( Rom.1, 7 ), wij die in het bad der wedergeboorte gereinigd zijn van de melaatsheid der zonde, wij moeten die ene genezene navolgen, van wie het evangelie verhaalt: „één van hen keerde terug met luider stem God verheerlijkend en hij viel op zijn aangezicht neer aan zijn voeten en dankte Hem” . Eén van de tien slechts kwam Jezus danken en deze was een vreemdeling. Eén van de tien … Zou de verhouding onder ons gunstiger zijn? Dankbaarheid is een zeldzame deugd, te zeldzamer naarmate de weldaden ons bewezen minder tastbaar lijken. De grootste weldaden Gods zijn alleen kenbaar voor het geloof. „Weest immer verheugd, bidt zonder ophouden, zegt dank voor alles” ( 1 Thess.5, 16-18 ). Wij klagen dikwijls, dat wij niet weten hoe of wat te bidden; soms schijnt het of alleen een persoonlijke nood ons een vurig smeekgebed op de lippen brengt. Hoevelen onder ons vervullen hun plicht uit dankbaarheid? Als wij leefden uit het geloof, zouden wij Gods weldaden waarderen, zou oprechte vreugde ons hart vervullen en spontane dank opwellen uit onze ziel. Gods weldaden: talloos zijn zij, onophoudelijk en in rijke verscheidenheid, de genaden, de sacramenten, de liturgie, Gods voorzienigheid, zijn geduld en barmhartigheid …

3. „Gods barmhartigheden wil ik eeuwig bezingen” ( Ps.88, 2 ). Het is de liefde eigen te zingen ( Sint Augustinus ). De schoonste dank is die welke God wordt gebracht door de Kerk en met de Kerk in het ene en eeuwige offer der mis. Verenigen wij ons van ganser harte, „God verheerlijkend met luider stem” , met de dankzegging van Christus’ Bruid. „Waarlijk passend en rechtvaardig is het, billijk en heilzaam, dat wij U altijd en overal danken, heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God, door Christus onze Heer.”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De zorg voor de naaste

291. Vrijdag na de Twaalfde Zondag na Pinksteren

Stellen wij ons nogmaals de gelijkenis voor de geest van de barmhartige Samaritaan, die de Kerk ons in het evangelie van de Zondag voorhield.

1. Deze man die Jezus ons als het toonbeeld van de „naaste” voor ogen houdt, bevindt zich plotseling en geheel toevallig geplaatst voor de ellende van iemand die hem volkomen vreemd is, behalve dan dat hij met recht vermoeden kan dat de beroofde en mishandelde reiziger behoort tot het volk dat met de Samaritanen in onmin leeft. En let nu op hoe Jezus zijn reactie beschrijft: „Hij zag hem en kreeg medelijden met hem. En hij kwam dichterbij, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn lastdier en bracht hem naar een herberg waar hij hem verder verzorgde. Daags daarna (toen hijzelf dus noodzakelijk verder moest) gaf hij de waard twee tienlingen en zei: „Blijf voor hem zorgen en wat ge eventueel meer besteedt zal ik bij mijn terugkomst vergoeden” .”

Zie, wil Jezus zeggen, dat noem Ik naastenliefde: het spontane medelijden bij het zien van de ellende zonder zich af te vragen wie in nood is of wie nu strikt genomen tot hulp verplicht is, – en dan ook de daad, onmiddellijk en doeltreffend, praktischehulp met voorbijgaan van conventie en eigenbelang. Verheven beginselen worden er niet verkondigd, geen woorden zelfs gesproken dan alleen die welke nodig zijn voor het werk der liefde.

2. En wij herinneren ons ook wat in het verhaal aan dit toneel voorafging: de priester en de leviet die „zagen en verder gingen” . Jezus zegt het zo kort maar zo duidelijk mogelijk. Het waren Joden, mensen van hetzelfde volk, en het was geen achteloosheid die hen voorbij deed gaan, want zij hadden heel de hulpeloze ellende van de gewonde gezien. Toch gingen zij verder. En zou het toevallig zijn dat Jezus als ware vertegenwoordigers van zijn volk juist een priester en een leviet noemt, dat wil zeggen twee mensen die ambtshalve nog strenger tot naastenliefde verplicht waren dan de leken? Is het niet dikwijls zo dat zij die de godsdienst allereerst vertegenwoordigen, het gemakkelijkst motieven vinden om zich van hun plicht af te maken? Kennen zij niet vaak te veel gewicht toe aan allerlei bijkomstige overwegingen van gepastheid, gewoonte en van min of meer juridische of formele aard? Maar deze vermoorden niet zelden de spontane en werkdadige liefde voor de mens, voor elke mens, die God op onze weg voert. En deze liefde is het die Jezus vraagt.

3. Wij zien nu ook beter hoe wij de prachtige gedachte van de grote kardinaal, die wij gisteren overwogen, moeten verstaan. Voor elke mens, zegt Newman , bestaan er eigenlijk slechts twee wezens, hijzelf en God. En dit is volkomen waar; wij staan in eenzaamheid tegenover God alleen en deze eenzaamheid wordt slechts opgeheven in de hemel, waar de volmaakte gemeenschap der heiligen het alleen zijn met God niet belet, want daar zal „God alles in allen zijn” . Maar de menswording van Christus heeft ons toch geleerd dat de stoffelijke wereld, en bovenal de evenmens, niet enkel bestaat als zinnebeeld van de onzichtbare, doch ook als beweegreden en voorwerp der liefde. Christus in het vlees verschenen, is ons hierin voorgegaan. Hij die de gebogenen oprichtte, het geknakte riet niet brak en het lijdende vlees genas. De volmaakte eenheid der zielen is op aarde niet mogelijk, maar wel is mogelijk de zorg der liefde voor lichamelijke en geestelijke ellende. Deze blijft tot de laatste dag het beslissende kenmerk van de christen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)