Maand: augustus 2015

Uit een preek van Newman

290. Donderdag na de Twaalfde Zondag na Pinksteren

Begrijpend dat wij een ziel bezitten betekent onze afzondering beseffen van de zichtbare dingen, onze onafhankelijkheid, ons afgescheiden bestaan op onszelf, onze individualiteit, ons vermogen om zelfstandig op deze of gene wijze te handelen, onze verantwoordelijkheid voor onze daden. Dit zijn de grote waarheden die in de geest van een kind zelfs liggen opgesloten en die Gods genade in ons kan ontvouwen, alle invloeden van buiten ten spijt. Maar aanvankelijk is het deze uitwendige wereld die overheerst; van onszelf weg richten wij de blik naar de dingen rondom en wij vergeten daarin onszelf. Zo is onze toestand — een steunen in afhankelijkheid op halmen die wankel zijn met voorbijzien van onze werkelijke sterkte — op het ogenblik dat God ons begint op te eisen en geleidelijk wil brengen tot een juister inzicht omtrent onze plaats in het heelal van zijn voorzienigheid. En als Hij ons aldus bezoekt, geraakt ons innerlijk weldra in beweging. Wij gaan de nutteloosheid en zwakheid van de dingen dezer wereld helder inzien; zij beloven maar kunnen niet vervullen en stellen ons teleur. Of indien zij volbrengen wat zij beloven, schenken zij ons toch geen waarachtige bevrediging. Wij begeren nog iets anders, wij weten niet precies wat, maar wij zijn er zeker van dat de wereld het ons niet heeft gegeven. En bovendien, haar veranderingen zijn zo menigvuldig, zo plotseling, zo vanzelfsprekend en voortdurend. Zou houdt nooit op te veranderen en gaat er mee door totdat wij er wee van worden; dan is het gedaan met ons vertrouwen in haar. Het wordt ons duidelijk, dat wij dit vertrouwen moeten opzeggen, indien wij niet met de wereld gelijke tred houden en ook zelf voortdurend veranderen; maar dit is onmogelijk. Wij beseffen dat terwijl zij verandert, wij een en dezelfde blijven. En aldus geraken wij onder Gods zegen tot enig inzicht in de betekenis van onze onafhankelijkheid van de tijdelijke dingen en van onze onsterfelijkheid. En overkomt ons (zoals dikwijls het geval is) ongeluk en lijden, dan verstaan wij de nietigheid van de wereld nog beter. Dan groeit ons wantrouwen en worden wij immer meer gespeend van de liefde voor deze wereld, totdat zij ten slotte voor onze ogen zweeft louter als een sluier die, ondanks haar bonte kleuren, niet langer het uitzicht kan verbergen op wat achter haar ligt. En wij beginnen geleidelijk in te zien dat er slechts twee wezens bestaan in het heelal, onze eigen ziel en de God die haar schiep.

Verheven en verrassende leer, maar vol diepe waarheid! Voor ieder van ons bestaan er in de hele wereld maar twee wezens, hijzelf en God. Want dit toneel buiten ons met zijn genoegens en bezigheden, zijn eerbewijzen en zorgen, zijn intrigues , zijn hoofdpersonen, zijn koninkrijken en de menigte rusteloze slaven: wat betekent het voor ons? Niets; het is slechts een schouwspel: „De wereld en haar begeerte gaat voorbij” ( 1 Joh.2, 17 ). En wat die anderen betreft, die ons naderbij staan, die wij niet mogen rekenen tot de ijdele wereld, onze vrienden en betrekkingen, die wij met recht liefhebben, ook zij betekenen ten slotte niets voor ons op deze aarde. Zij kunnen ons niet werkelijk helpen of van dienst zijn: wij zien hen en zij werken in op ons, alleen (als het ware) op afstand, door middel van de zintuigen; zij kunnen niet geraken tot onze ziel en niet binnendringen in onze gedachten, zij kunnen niet werkelijk onze gezellen zijn. In de toekomstige wereld zal het door Gods erbarming anders zijn; maar hier genieten wij niet hun tegenwoordigheid doch de voorsmaak van hetgeen eens werkelijkheid zal zijn; zodat ook zij ten slotte verdwijnen voor het klare zien dat wij bezitten, op de eerste plaats van ons eigen bestaan en vervolgens van de tegenwoordigheid van de grote God in ons en boven ons, als onze Heer en Rechter, die in ons woont door ons geweten dat Hem vertegenwoordigt.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Rennen zonder te struikelen

289. Woensdag na de Twaalfde Zondag na Pinksteren

„Almachtige, eeuwige God, van wiens gave het komt dat uw gelovigen U waardig en loffelijk dienen, schenk ons, bidden wij U, dat wij zonder te struikelen naar uw beloften mogen rennen” (oratie van de Zondag). — De taal van het missaal is vol fijne nuances en sterke gedachten. Bestudering hiervan loont overvloedig alle bestede moeite, zeker voor hen die zich op het innerlijk leven toeleggen, en eigenlijk voor allen. Ons geestelijk leven moet op alle mogelijke wijzen worden verdiept; en een van de beste, zo niet de beste, bestaat in het godvruchtiger opdragen en bijwonen van de mis.

1. Een voorbeeld van de met zorg gekozen bewoordingen van het missaal vinden wij in de boven aangehaalde oratie. Zij spreekt van een „rennen” naar Gods beloften. Want currere betekent niet gewoon gaan of lopen, maar rennen. De term roept ons aanstonds twee andere teksten van de Heilige Schrift voor de geest: „Ik ren de baan van uw geboden, want Gij verruimt mijn hart” ( Ps.118, 32 ), en nog meer de realistische vergelijking van de heilige Paulus : „Weet gij niet dat de wedlopers in de renbaan wel allen lopen, maar dat slechts één de prijs behaalt? Loopt dan zo dat gij hem wint” ( 1 Kor.9, 24 ). Het is zeker deze laatste tekst geweest die van invloed was op het veelvuldig voorkomend spraakgebruik der Kerk, als zij het christelijke leven vergelijkt met een wedstrijd, een vooruitstormen in de renbaan naar het heerlijke einde.

Welke lessen liggen in de éne woordje opgesloten! Stilstaan is fataal, betekent achteruitgang en moest in het christendom onbestaanbaar zijn. De „beloften Gods” lokken ons machtig aan, zodat wij „vergetend wat achter ons ligt ons voorwaarts uitrekken en het enige doel najagen, de kampprijs der hemelse roeping” ( Phil.3, 13. 14 ). Alleen verlangen, vurige hoop en edelmoedige bereidwilligheid doen ons rennen. Kort is dit leven dat snelt naar zijn einde. Geen lauwheid, geen lijntrekkerij! Het ogenblik dat voorbijvliegt! De moedige aanpak! De zaligheid zonder einde, zo spoedig gewonnen.

2. Ook in de oratie van de tiende Zondag na Pinksteren bidt de Kerk dat wij naar de beloften van God mogen rennen. Ditmaal voegt zij er de wens aan toe dat het geschieden moge „zonder dat wij struikelen” . Allen kennen wij dingen waaraan wij vastkleven, die een sta-in-de-weg en een hindernis vormen op de weg naar de hemel, zonden die niet geheel worden opgeruimd, een verkeerde gehechtheid die wij (nog) niet kunnen verbreken, oppervlakkige uitgestortheid die telkens opnieuw onze geest afleidt van het enig noodzakelijke. Toch is, geloof ik, voor werkelijk goedwillende christenen het ergste struikelblok moedeloosheid, kleingelovigheid, gebrek aan vertrouwen op Gods almachtige genade. Er mankeert niets aan onze hoop die, evenals de andere goddelijke deugden, krachtens haar wezen geen grens mag kennen. De maat van Gods mogelijkheden met ons menen wij te moeten afmeten naar de grenzen van onze eigen natuur en aanleg. (Natuurlijk, als wij er over nadenken, zullen wij dit in theorie ontkennen, maar in feite handelen en leven wij zo.) Nu zijn die grenzen, het niets en de zonde, inderdaad eng getrokken en nog veel nauwer dan wij denken kunnen. Maar God wil dat wij in een akt van vertrouwen die ten slotte niets minder dan heldhaftig is, de ogen sluiten voor onze eigen ellende en ze gevestigd houden op Hem alleen. Misschien kunnen wij het ook zo uitdrukken: God wil dat wij onze grondeloze ellende nooit vergeten, maar door die afgrond heen en in die bodemloze put zijn almacht vinden. Zij wij in nederigheid tot die bodem afgedaald, dan zullen wij in waarheid niet meer „struikelen” .

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Voeg je kerk toe aan Google Maps

Twee jaar geleden had ik al eens een bericht gepubliceerd met instructies hoe je met Google Map Maker een kerk kan toevoegen aan Google Maps. Spijtig genoeg werd deze tool niet uitsluitend voor eerbare doelen gebruikt en is hij al geruime tijd ontoegankelijk. Google werkt aan een nieuwe versie met betere beveiliging, maar tot op heden is die nog niet beschikbaar in ons land.

Wie toch graag zijn parochiekerk op de kaart wil zetten hoeft echter niet bij de pakken te blijven zitten, want je kan dit nu ook rechtstreeks doen via Google Maps! Nog eenvoudiger en dus is er geen enkele reden waarom jouw parochiekerk niet op de kaart zou staan.

Read More

De letter en de geest

288. Dinsdag na de Twaalfde Zondag na Pinksteren

Het epistel van de Zondag, waarvan de tekst vrij ongelukkig is afgesneden ( 2 Kor.3, 4-9 ), heeft als hoofdthema: de voortreffelijkheid van het Nieuwe Verbond , welks bedienaar Paulus is, boven het Oude. De apostel maakt zich de tegenstelling niet gemakkelijk. Hij stelt het Oude Testament voor in zijn grootste vertegenwoordiger, Moses , en op een verheven ogenblik, als de wetgever van de berg Gods afdaalt met in zijn hand de stenen tafelen, grondwet van het verbond, en zijn gelaat stralend van hemzelf onbekende goddelijke glans, die de zonen Israëls niet konden verdragen. Waarachtig, heerlijk en glorieus was de oude bediening! Toch was zij een bediening des doods en van veroordeling en vergankelijk. Wat zal dan het nieuwe leven zijn en welke de glorie van het christendom dat Paulus mag prediken! Niet dat hij uit zichzelf iets zou vermogen, want al zijn bekwaamheid is het werk van God die de Geest schenkt, – en juist daarom treedt hij vrijmoedig op en met een ongesluierde openheid die zelfs Moses niet kende.

Wij vragen ons af of wij met dergelijke teksten van de apostel, zoals er in zijn brieven vele en in de liturgie nog enkele andere voorkomen, ook in onze tijd en voor ons persoonlijk leven iets kunnen doen. Is het ons mogelijk hier meer te bereiken dan een historisch begrip? De tegenstelling jodendom-christendom vormde in Paulus ‘ dagen een brandend actueel probleem. Zij schijnt dat thans niet meer op dezelfde wijze te zijn en dus zijn wij licht geneigd te oordelen dat de desbetreffende passages der brieven voor ons niet langer van betekenis zijn. Deze opvatting zou inderdaad gerechtvaardigd zijn, indien Paulus niet de door God geïnspireerde schrijver en schouwer van geestelijke en daarom onvergankelijke werkelijkheden was die hij geweest is. Zijn diepste gedachte staat hier in het dikwijls herhaalde maar meestal zeer eenzijdig toegepaste zinnetje: „De letter doodt, maar de Geest maakt levend” ( 3, 6 ). Het Oud Verbond is die letter, de wet op stenen tafelen gegrift, die doodt, omdat zij de doodstraf uitspreekt tegen haar overtreders zonder dat zij tegelijk de kracht tot onderhouding geeft, zonder dat zij zelf een innerlijk levensbeginsel schenkt van waaruit het de mens eerst mogelijk wordt de rechte verhouding tot God te vinden, die aan elke vruchtbare wetsvervulling ten grondslag ligt. Maar het nieuw Verbond is niet allereerst wet (ofschoon het ook een wet inhoudt, „de wet van Christus” ( Gal.6, 2 ), doch leven, bovennatuurlijk leven geschonken door de Geest. En de Geest Gods betekent leven, vernieuwing, scheppende omvorming van binnen uit.

Nu zien we Paulus ‘ woorden hun geldigheid behouden. Wat hij in dat éne zinnetje van de oude wet , de Joodse Tora , zegt, geldt van elke wet, geldt ook van het christendom, indien het uitsluitend of voornamelijk als wet, als een uitwendig stelsel van verordeningen, dode en dodende letter, zou worden opgevat. Het leven kan niet in wetten worden besloten, als heeft het zijn eigen wet, zoals de plant die groeit krachtens innerlijk beginsel. Zo is ook onze onderhouding van de geboden van Christus en de Kerk dood voor God, zo ze niet voortspruit uit ons innerlijk, komend van de Geest die in ons woont en ons maakt tot het nieuwe schepsel. De Geest maakt levend. De geest van het kindschap Gods, de geest van geloof en vertrouwen en kinderlijke gehoorzaamheid, de liefde ten slotte, totale overgave die de begrenzing van de wet niet kent, doet ons als vanzelf de geboden vervullen, de evangelische raden hoogachten, Gods wensen raden en voorkomen. Zeker zullen zonde, zelfzucht en wereld zulk een gave levenshouding slechts zelden tot volle bloei laten geraken en maken zij wetten noodzakelijk. Toch is het slechts de Geest die leven schenkt en de Geest is liefde, scheppende kracht die door Gods gave ons eigen is geworden.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Het eerste gebod

287. Maandag na de Twaalfde Zondag na Pinksteren

„En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zeide: „Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” En Hij zeide tot hem: „wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij?” Hij antwoordde en zeide: „Gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand en uw naaste als uzelf” En Hij zeide tot hem: „Gij hebt juist geantwoord; doe dat en gij zult leven” ( Lk.10, 25-28 ; evangelie van de Zondag). Het is duidelijk dat de wetgeleerde naar de bekende weg vroeg, een gelegenheid zoeken om Jezus op de proef te stellen, maar vergeten wij niet dat Jezus zijn antwoord goedkeurde. Op een andere plaats in de evangeliën ( Mt.22, 37-39 = = Mk.12, 29-31 ) is het de Heer zelf die het grote gebod, reeds vervat in het Oude Testament ( Deut.6, 5 ; Lev.19, 18 ), in zijn volle kracht handhaaft voor het Nieuwe Verbond .

De wetgeleerd vraagt: „Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” Dit is de vraag die de mens zich altijd stelt, indien hij gelooft aan de mogelijkheid van een zalig hiernamaals: „Wat moet ik doen om in de hemel te komen?” En God antwoordt: „Gij moet beminnen .” Het is natuurlijk niet zo dat God geen daden eist van zijn schepsel. En iedereen weet dat uit waarachtige liefde vele daden voortvloeien en de hoogste prestaties, en wellicht nog méér: smartelijk lijden. Maar doen en presteren is niet het eerste wat God vraagt, doch liefde, dat is, een beweging des harten, die de mens innerlijk aangrijpt en vandaar uit alle krachten der ziel in het werk zet om God oprecht te dienen. Het is begrijpelijk dat Jezus zijn ondervrager die evenals de meeste schriftgeleerden wel behoorde tot de sekte der farizeeërs, herinnerde aan het grote gebod der innerlijkheid, dat zij onder hun werkheiligheid en wettelijk formalisme hadden bedolven.

Meen ook hier niet dat het farizeïsme is uitgestorven. Altijd neigt de mens uit zelfbehoud er toe zich door verplichtingen en prestaties te verweren tegen de goddelijke eis der onvoorwaardelijke overgave. Wie de godsdienst wil herleiden tot een serie, hoe uitgebreid en ingrijpend ook, van wetswerken en geboden, zoekt een grens waarachter hij „zichzelf” kan zijn, een rustpunt, waar hij kan denken: het is genoeg, God heeft het zijne; wat overblijft is van mij. Wie waarachtig bemint, zoekt deze valse veiligheid niet, want liefde streeft er naar de grenzen op te heffen, de grenzen tussen plicht en raad, tussen eis en wens, de grenzen zelfs tussen Gij en ik. Aan de goddelijke liefde komt krachtens haar wezen totaliteit toe; hieraan kan slechts een reddeloze overgave van een hulpeloos mens beantwoorden. En dit is het juist wat Jezus vraagt. „Zie eens of Hij u nog iets overlaat waarmee ge uzelf kunt beminnen. Hij zegt immers: „Gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en geheel uw verstand.” Wat blijft er over van uw hart dat gij nog uzelf zoudt beminnen? Wat van uw ziel en uw verstand? Hij die u geschapen heeft, eist u geheel op” ( Sint Augustinus ,Sermo34).

2. God eist onze dienstbaarheid als Schepper en Heer van het heelal die recht heeft op onze volledige onderwerping. Maar bovenal vraagt Hij de overgave des harten. Hij, de oneindige liefde, die zich als liefde heeft geopenbaard in Christus (lees 1 Joh.4 ). De onvoorwaardelijke overgave der liefde wordt niet afgedwongen. Deze beweging van gemoed en wil ontstaat spontaan, als een mysterie van leven in het diepst der ziel, in dat punt waar alleen God en de eigen vrijheid vermogen te werken. Smeken wij zonder ophouden om de volmaakte liefde die de vrees uitbant en onszelf in vrijheid bindt met zoete en onverbreekbare banden.

Zoete Moeder der schone liefde, bid voor uw kinderen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)