Maand: september 2015

Duivelse besmetting

323. Dinsdag na de Zeventiende Zondag na Pinksteren

„Geef, Heer, uw volk dat het duivelse besmetting vermijdt en met zuivere geest streeft naar U, God, alleen” (oratie van de Zondag).

1. Gods volk zijn wij, de uitverkorenen en geliefden, de geroepenen tot het christendom in Christus’ lichaam, de Kerk. Het volk des Heren zijn wij bovenal wanneer wij in heilige gemeenschap Christus’ offer vieren en deelhebben aan zijn lichaam en zijn bloed. De Kerk bidt dat dit volk Gods gevrijwaard moge blijven voor „duivelse besmetting” , dat het eeuwige leven in ons niet wordt aangetast door infectie van de satan. Dan eerst kunnen wij God zoeken met zuiver hart.

Wij vinden wellicht dat die term wat al te dramatisch klinkt; of wij menen dat zulke woorden alleen van toepassing zijn op zware zonden. Maar het beeld voortzettend kunnen wij zeggen dat in uiterlijk zondige daden de innerlijk verborgen gebleven besmetting uitbreekt, doch de infectie was reeds aanwezig en werkzaam in begeerlijkheid en neigingen van zelfzucht en hoogmoed. Hoogmoed is de duivelse bacil die sinds de zonde van de eerste mens ons aller geestelijk organisme bedreigt en die alleen door christelijke nederigheid onschadelijk wordt gemaakt, — en nederigheid wordt alleen geboren uit een verbrijzelde en verpulverde trots.

Het eeuwige leven dat God ons schonk is op zichzelf beschouwd van een loutere volkomenheid. Zoals bij alles wat schoon en verheven is: de geringste vlek ontsiert. Het bederf van de beste is het ergst. Wij denken al te licht over ons egoïsme dat het goddelijke in ons aantast, – of liever, wij denken daar meestal helemaal niet aan. Als wij onszelf kenden en als wij God zouden kennen, zouden wij met ontzetting vluchten al wat naar de zonde zweemt en de zegepraal van het rijk Gods in de weg staat, in ons en in de anderen.

2. Hoogmoed is de satanische besmetting bij uitstek, de gehechtheid aan de eigen wil, de bewuste en meestal onbewuste zucht naar autonomie. Wie de kortste weg naar God wil gaan, moet zijn trots vernederen en breken. In tijdelijke ondernemingen die ons na aan het hart liggen zijn wij doelbewust en „efficiënt” genoeg. In het geestelijke blijven wij halfslachtig aarzelen. Toch weten wij bij enig nadenken over Jezus’ leer in de evangeliën en de voorbeelden der heiligen zeer goed dat versterving onontbeerlijk en van alle versterving die van de wil het noodzakelijkst is; niet om het willen te doden, maar om het vrij te maken en zuiver op God te kunnen richten.

„U alleen zoeken met zuivere geest” : daarnaar snakt elk oprecht christenhart. Er zijn gelukkige ogenblikken, wanneer wij in het gebed er in slagen onze geest tot rust te brengen of bij de tedere omhelzing van Christus in de communie, dat wij menen mogen „Hem zuiver te zoeken en Hem alléén te zoeken” . Doch het gaat er om deze ogenblikken te vermeerderen en ze met elkaar te verbinden tot een eenheid van voortdurend gebed die nauwelijks meer onderbroken wordt. Daarvoor is nodig de geest van gebed in de uren dat wij niet „ex professo” bidden, als de essentie van gebed die blijft in het diepst van onze geest, ook dan wanneer wij met volle activiteit ons geven aan onze plichten en bezigheden. „Ik sluimerde, maar mijn hart was wakker. Daar hoorde ik mijn Beminde kloppen” ( Cant.5, 2 ). En deze geest van gebed (geheim verbond waardoor Jezus ons teder gebonden houdt) is wederom onbestaanbaar zonder de krachtdadige strijd tegen alle „duivelse besmetting” , dat is dus, zonder de voortdurende versterving van onze hoogmoed en onze zelfzucht. Die deur waardoor de duivel binnentreedt moet hermetisch dicht en geopend de poort van nederig godsverlangen, van vredig zich geven aan een wil die niets dan liefde en almacht is.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Wat dunkt u van de Christus?

321. Zeventiende Zondag na Pinksteren

Deze vraag stelt Jezus in het evangelie van heden aan de farizeeën: „Wat dunkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij?” ( Mt.22, 42 ) — om hen tot nadenken te brengen en hun zijn goddelijk wezen te doen vermoeden.

1. „Wat dunkt u van de Christus” blijft voor de mensen van alle tijden de beslissende vraag. Van de houding die de mens tegenover Christus aanneemt, hangt zijn eeuwig heil af; bewuste eenzijdigheid is hier niet mogelijk: „Wie niet met Mij is, is tegen Mij” ( Mt.12, 30 ). Beschouwen wij het antwoord dat de mensen van thans op deze vraag geven. Denk aan de godsdienstige toestand van de wereld na negentien eeuwen christendom. Wanneer wij het geluk hebben in een katholieke omgeving te zijn geboren en opgegroeid, is het zeer wel mogelijk dat wij onszelf hieromtrent onbewust misleiden. De wereld is anders dan die christelijke oase waarin wij wellicht leven. Sommige „vorsten der wereld” nemen nog ooit wanneer hun dit uitkomt, de naam van Gof of de Voorzienigheid in de mond, maar zij bedoelen dan wel nauwelijks de Vader van onze Heer Jezus Christus. Hem, de Zoon des mensen, noemen zij niet; Hij staat hun dromen van macht en wereldbeheersing al te duidelijk in de weg. En de anderen, de massa der moderne slaven? Ach, veruit de meesten kennen Hem niet werkelijk. De „volkeren der aarde” zijn voor een zeer groot deel van God vervreemd en onverschillig geworden voor hun Verlosser. De christenen zelf zijn veelal lauw en laf. De als een zwaard snijdende vraag: „Wat dunkt u van de Christus?” speelt een grotere of kleinere rol in de binnenkamers van hun hart, maar wordt in de openbaarheid angstig teruggedrongen. De verkondiging van de Christus door woord en leven ligt hun verre.

2. Welk antwoord verwacht Jezus op zijn vraag? Welk antwoord eist Hij van ons, bevoorrechte kinderen Gods? De Heer is niet tevreden met een halve belijdenis. Aan zijn apostelen vroeg Hij: „Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?” De opvatting van het volk leek zeer eervol: zij hielden Hem voor Johannes de Doper of een der andere grote profeten. Doch de Heer zeide: „Maar gij, mijn uitverkoren leerlingen, wie zegt gij dat Ik ben?” — en eerst Petrus ‘ belijdenis werd aanvaard: „Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God” ( Mt.16, 13-15 ). Dit antwoord verwacht Jezus ook van ons, het nederige en tegelijk brandende van Thomas : „Mijn Heer en mijn God” . Zó moeten wij denken over de Christus: Heer, God, Verlosser, — en zó moeten wij handelen, zó leven, want zulk een antwoord legt beslag op heel de mens. Wanneer Hij onze Heer en onze God is, dan moet Hij ons alles zijn: Mijn God en mijn al, zoals een andere heilige zeide. Dan vormen zijn geboden de wet van al onze daden, dan sluit deze belijdenis het andere woord in dat Jezus spreekt in het evangelie van heden: „Gij zult de Heer, uw God, beminnen van ganser harte, met geheel uw ziel en met geheel uw verstand” ( Mt.22, 37 ).

3. Wat wij van U denken, wat wij voor U voelen, wat wij voor U over hebben, Heer, moge dat steeds meer ons gehele leven doordringen. Neem ons in bezit, o Jezus. Wij zijn door uw genade van goede wil,het is ons eerlijk verlangen U te beminnen zoals God alleen verdient, dat is „in alles en boven alles” . Maar leg op ons geheel beslag; uw goddelijke liefde overwinnen onze zwakheid, onze stroefheid, ons gebrek aan moed en vertrouwen, onze ingeroeste zelfzucht. Houd ons vast, lieve Heer, en duld niet dat wij ook in het geringste van U worden gescheiden.

Zoete Moeder, geef dat wij door zulk een liefde als waarom wij allervurigst bidden méér dan door woorden het rijk van uw Zoon helpen verbreiden, opdat de mensen goed leren „denken over uw Christus” .

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Aan God alleen denken

320. Zaterdag na de Zestiende Zondag na Pinksteren

„Heer, ik wil alleen aan uw gerechtigheid denken” en niet aan mijn eigen zondigheid en zwakte, zo zingen wij met de psalmist in de communiezang van de Zondag ( Ps.70, 16 ). Het is een schoon gebed op het ogenblik dat wij aan het offermaal des Heren mogen deelnemen. „Gij hebt mij onderricht, o God, vanaf mijn jeugd, verlaat mij niet nu ik ouder ben geworden.” Reeds in onze jonge jaren heeft Christus ons onderricht in de wegen van zijn liefde door ons deel te geven aan zijn lichaam en zijn bloed. Terwijl onze geest nog onmachtig was om ook maar enigermate het geheim der eucharistie te peilen, werd onze ziel gevoed met de spijs der liefde. En nu wij ouder zijn geworden en ervaring ons wijzer maakt en onverschillig misschien, bidden wij dat God ons niet moge verlaten, dat wij Hèm niet mogen verlaten maar met groeiend geloof en grotere eerbied de heilige communie mogen ontvangen.

2. „Op uw gerechtigheid alleen letten.” Aan Hem alleen denken: dat is het ideaal dat ons steeds voor ogen zweeft bij deze overwegingen. Is het niet geheel onze bedoeling door zijn genade en onze volhardende inspanning te bereiken dat onze geest altijd meer van de gedachte aan God wordt vervuld? Daartoe dient de oefening der meditatie dag in dag uit, daartoe wil de ingetogenheid bijdragen en de praktijk van de schietgebeden en de over alle uren verspreide ogenblikken dat wij ons hart tot Hem verheffen. De versterving moet geleidenlijk de beletselen der zelfzucht verwijderen die aan het leven van vereniging met God in de weg staan. De nederigheid moet ons bevrijden van onszelf, van ijdelheid en eigenwaan. Vertrouwen moet ons gemoed openbreken naar God toe, om onze ziel bloot te stellen aan de onvermoede werking van zijn almacht.

„Aan Hem denken.” Dat is geen eenzijdigheid, het is juist het tegendeel van bekrompenheid. Zonder twijfel zal degene die naar de vereniging met God streeft en naar het volle leven van geloof en liefde, niet kunnen deelnemen aan alle genoegens, ook niet aan alle geoorloofd vermaak dat hij op zijn weg ontmoet. Hij zal ook zijn belangstelling moeten beperken en niet kritiekloos alle nieuws en alle sensatie kunnen opnemen die de middelen der moderne techniek in een vroeger ongekende mate over de mensheid uitstrooien. Maar hij zal daarom niet minder mens zijn, integendeel. Hij zal de wezenlijke waarden van het vele bijkomstige en al te vergankelijke des te zekerder weten te onderscheiden. Hij zal geestelijk vrij blijven, en daarom juist beschikbaarheid voor de werkelijke nood van zijn evenmens, omdat hij niet opgaat in de duizenden dingen van de dag. Door de omgang met God zal hij zich een zuiver orgaan verwerven om te verstaan wat er het diepst leeft in de mens, verborgen onder de bovenlaag van oppervlakkigheid, routine en onoprechtheid, die wij te zelden laten verwijderen. Hij zal in de evenmens kunnen verstaan wat de ander zelf niet begrijpt, wat hij verleerd heeft te beseffen: zijn behoefte aan liefde en zijn verlangen naar Gods goedheid.

3. Door in heilige eenzijdigheid onze geest zoveel als ons mogelijk is tot God alleen te verheffen kunnen wij enigszins het evenwicht herstellen in de wereld die haar kinderen belet aan God (en zichzelf) te denken. Door onze Heer innerlijk aan te hangen en naar Hem alleen te zien, bereiden wij ons op de allerbeste wijze voor op onze eeuwige bestemming, de aanschouwing Gods in de hemel. Door bestendig in zijn tegenwoordigheid te leven verwerven wij een geestelijke rijkdom, een schat die niet kan worden aangetast, een innerlijke zekerheid die geen terreur ons kan ontnemen. Dit is het leven dat alleen onvergankelijk is en onafhankelijk van alle denkbare omstandigheden. Want het is in waarheid het eeuwige leven, op aarde begonnen door Gods onuitsprekelijke genade.

„Zalig de man, die op de Heer zijn vertrouwen heeft gesteld, die zich niet wendt tot ijdelheden en nietswaardige dwaasheid” ( Ps.39, 5 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Nederigheid

319. Vrijdag na de Zestiende Zondag na Pinksteren

Het kinderlijke vertrouwen op Gods almacht waarover wij gisteren mediteerden, is onmogelijk zonder nederigheid. Sint Thomas leert dat men geen enkele deugd volkomen kan beoefenen zonder ook de andere in volmaakte graad te bezitten. In het leven van de christen is alle eenzijdigheid uit den boze. Maar er zijn bepaalde deugden waarvan het onderling verband bijzonder duidelijk aan de dag treedt. Waarachtig godsvertrouwen gaat niet samen met zelfvertrouwen in het geestelijke (want in de natuurlijke sfeer kan zelfvertrouwen goed en noodzakelijk zijn), en geestelijke zelfvoldaanheid is juist een van de kenmerken van de hoogmoed. Alleen de nederige mens heeft zijn eigen onvermogen ten volle ervaren en erkend; en daarom is hij in staat zonder enige beperking op God te vertrouwen. Wie niets meer van zichzelf verwacht kan alles verwachten van God. En deze innerlijke houding van de ziel zal ook tot uiting komen in de gedragingen jegens de naaste. De nederige mens zal zich boven niemand verheffen.

In het evangelie van de Zondag lezen wij: „Jezus had ook een gelijkenis voor de gasten die (met Hem) aan tafel waren genodigd, daar Hij bemerkte dat zij de beste plaatsen voor zichzelf hadden uitgekozen: „Wanneer iemand u op een bruiloft inviteert, ga dan niet op de beste plaats zitten. Misschien heeft de gastheer iemand uitgenodigd die voornamer is dan gij en zal hij u zeggen: „Maak plaats voor deze man” ; en dan zult gij beschaamd de minste plaats moeten innemen. Ga liever, wanneer gij uitgenodigd zijt, aanstonds naar de geringste plaats en zet u daar neer, zodat de gastheer, als hij binnenkomt, u zal zeggen: „Vriend, ga hoger op” , en gij geëerd wordt voor heel het gezelschap. Want wie zich verheft zal vernederd en wie zich vernedert zal verheven worden” ( Lk.14, 7-11 .

Meen niet dat Jezus ons hier een methode aan de hand doet om in aardse verhoudingen een goed figuur te slaan. Hij heeft zijn leerlingen geen aardse eer beloofd. „Kunt gij de kelk drinken die Ik zal drinken?” Wat Hij hier zegt is een „parabel” . wie op de bruiloft van het Lam groot wil zijn, moet zich als de onwaardige beschouwen en de geringste plaats zoeken. „Gij weet dat onder de heidenen zij die als vorsten worden beschouwd over hen heersen en dat de voornamen hun macht uitbuiten. Onder u moet het anders zijn. Wie onder u de grootste wil worden moet uw dienaar zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet de slaaf van allen wezen. Zoals ook de Zoon des mensen niet is gekomen om zich te laten bedienen maar om zelf te dienen en zijn leven te geven tot losprijs voor velen” ( Mk.10, 42-45 ). Het kenmerk van de christelijke gemeenschap moet naastenliefde zijn ( „Hieraan zullen allen erkennen dat gij mijn leerlingen zijt” …) en nederigheid in dienst van die naastenliefde. Johannes , de beminde leerling, schreef dat niemand God waarlijk kan beminnen die niet de naaste liefheeft. Wij mogen daaraan toevoegen dat niemand die zich verheft boven zijn evenmens, nederig is voor God. Wij kunnen ons inbeelden dat wij God „die wij niet zien” liefhebben, maar allen de liefdedaad voor de mens bewijst, dat wij God beminnen zoals Hij bemind wil worden en zoals Hij zich in de mens Christus aan ons heeft geopenbaard. Zo zal ook de inwendige vernedering voor God zelfbedrog, althans niet geheel waarachtig blijken te zijn, indien een geringe vernedering, ons door onze evenmens toegevoegd, de hoogmoed van de oude Adam in ons doet opbruisen.

Laten wij het voorbeeld van Jezus’ nederigheid tot het uiterste navolgen in de realiteit van het leven, niet enkel in wens en gedachte.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De almacht die in ons werkt

318. Donderdag na de Zestiende Zondag na Pinksteren

Het epistel van de Zondag, een hoogtepunt van de diepzinnige brief aan de Ephesiërs , raakt ook bij herhaalde overweging niet uitgeput. Het is een program van christelijke volmaaktheid in de vorm van een apostolisch gebed. Sint Paulus laat ons zien wat hij God durft vragen voor zijn christenen. Zo bidt hij voor allen; niet voor een élite, maar voor mensen zoals wij vraagt hij de hoogste genaden, innerlijke omvorming en een mystieke kennis van het geheim van Christus’ liefde. Een van de redenen waarom de Kerk door velen wordt miskend, is dat wij het christelijke ideaal niet in zijn volheid aan de wereld hebben durven voorhouden. Wij hebben het zoveel wij konden aangepast aan de eisen van de wereld (alsof dat mogelijk was!), aan het burgerlijk fatsoen, aan de gevoeligheden van de bezittende klasse, aan gevestigde gebruiken en conventies. Maar wij vergaten dat de mens slechts voor een ideaal offers brengt en niet voor een systeem van middelmatigheid. Wij vergaten ook dat wij meer dan met de zwakheid van de mens rekening moeten houden met de almacht van God. Onze heiligheid is Gods werk in ons, „gevuld worden met de volheid die God geeft” . Zij moet daarom gemeten worden met de maat van Gods onbegrensdheid, „de breedte en de lengte, de hoogte en de diepte” van Gods mysterie en „de liefde van Christus die alle wetenschap te boven gaat” . Daarom ook eindigt Paulus zijn gebed met deze prachtige lofprijzing: „Zijn macht is reeds aan het werk in ons en zij reikt verder, en oneindig verder, dan onze verwachtingen en stoutste dromen. Moge Hij verheerlijkt worden in de Kerk en in Christus Jezus, altijd en in alle eeuwigheid. Amen” ( Eph.3, 20. 21 ).

2. Gij allen die eerlijk zwoegt om te midden van de kwellingen van deze tijd het innerlijke leven te veroveren, gelooft dat Gods almacht u ten dienste staat. Gelooft dat zijn macht reeds nu „in u werkt” . Laat u niet ontmoedigen door het falen van uw zwakheid dat inderdaad ontstellende werkelijkheid is. „Hebt Godsgeloof!” — Wij stellen ons God te veel op een afstand voor en zijn almacht als ver weg of werkend in het verleden. Maar wij moeten bedenken dat zelfs de ondervinding van onze zwakheid bewijst dat Gods genade ons niet heeft verlaten. Dat wij de zonde en de ellende als hindernis gevoelen op onze weg is een gevolg van de werkzaamheid in ons van het goddelijk beginsel. God vraagt ons om te geloven. Hij wacht op ons kinderlijk vertrouwen dat het vanzelfsprekend vindt aan de almacht van zijn genade geen grenzen te stellen. En is dat niet de natuurlijkste zaak ter wereld? Is bij God niet alles mogelijk? Wij stellen ons de heiligheid voor als het resultaat van onze pogingen en het is niet verwonderlijk dat wij dan de moed verliezen. Maar zij is een geschenk van God dat Hij geeft aan wie het koninkrijk Gods weet aan te nemen als een kind ( Lk.18, 17 ). Een kind heeft de kunst van het dromen nog niet verleerd, en Gods macht overtreft onze stoutste verwachtingen, zegt de apostel.

3. Wanneer wij, christenen, durven streven naar een zuiver geestelijk ideaal, naar de heiligheid zonder bijmengsel die God ons voor ogen stelt, en wanneer wij als kinderen die niet redeneren noch berekenen op Hem vertrouwen, zullen wij Hem „verheerlijken in de Kerk en in Christus Jezus” . Eer is teer, zegt het spreekwoord. De eer van God die Hij in deze wereld aan de christenen heeft toevertrouwd, is oneindig teer en breekbaar; zij verdraagt niet de geringste onzuiverheid. Wij mogen de zaak van God niet vermengen met aardse belangen. Wij mogen de macht van Gods arm niet verkorten door ons gebrek aan geloof. De Kerk, Christus’ Bruid, moet stralen in ongerepte zuiverheid. Zij moet in deze wereld de heerlijkheid van God weerspiegelen voor allen die van goede wil zijn. Als Jezus is zij teken van tegenspraak, maar deze tegenspraak mag niet worden veroorzaakt door de kleingelovigheid en de baatzucht der christenen. Jezus zendt zijn Kerk tot de wereld zoals Hijzelf gezonden werd. Wij moeten tot de wereld gaan zoals Hij ging: arm en weerloos, nederig en zachtmoedig, van God vervuld, steunend op de almacht van God alleen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)