Maand: september 2015

Voortdurend bedacht op goede werken

317. Woensdag na de Zestiende Zondag na Pinksteren

„Wij bidden U, Heer, dat uw genade ons altijd moge voorkomen en volgen en dat zij ons verlene voortdurend op goede werken bedacht te zijn” (oratie van de Zondag).

1. Altijd voorkomen en volgen, voortdurend bedacht zijn. De Kerk die de geest bezit van haar goddelijke Meester, wil dat wij diep overtuigd zijn van de onvervangbare kostbaarheid van onze aardse levenstijd. De christelijke tijd is een voor ieder van ons afgepaste schat waarvan geen fractie mag verloren gaan. Uren doorgebracht in luiheid of ijdel vermaak, tijd die niet „nuttig” is voor Christus en zijn rijk, zijn voor altijd verloren. Natuurlijk kunnen niet alle ogenblikken bewust en uitdrukkelijk voor de Heer worden besteed en mag onze houding niet ontaarden in neurotische gespannenheid. Natuurlijk wil God dat wij redelijke zorg dragen voor onze gezondheid en ontspanning, dat wij (normaal gesproken althans) oververmoeidheid vermijdenenz.Maar zie ook dat andere en zoveel voornamer aspect. Hoe zal ik op mijn sterfbed oordelen over het gebruik van de mij toegemeten tijd? Zal mijn geweten mij veroordelen, zo ik om Christus’ wil mij te weinig rust gunde? De tijd is kort en de eeuwigheid zonder einde, maar de tijd is de grondslag van onze eeuwigheid. Dit aardse leven bezit hoedanigheden die de eeuwigheid mist en die wij kunnen samenvatten in het woord: lijdende en zwoegende liefde. Al blijft het waar dat een vuriger liefde goed kan maken wat vroegere traagheid verzuimde, er ligt iets tragisch in de gedachte dat deze verspilde kansen als zodanig nooit weerkeren.

2. Het is hierom dat de Kerk bidt dat wij voortdurend op goede werken bedacht mogen zijn. Dit is niet ’n soort geestelijk egoïsme om zoveel mogelijk „verdiensten” te verzamelen door een materiële werkheiligheid, — het is de uiting van de nimmer moede liefde die om wille van Christus en de zielen deze kostbare tijd van werken en zwoegen, van moeizaam ploegen en zaaien ten volle wil benutten. De liefde wil geen stukje van de bodem braak laten liggen. Zij wil werken zolang het dag is. Haar hand vindt altijd iets te doen: plichten van gebed en arbeid, werken van lichamelijke en geestelijke barmhartigheid. Zij vindt ook steeds datgene te doen wat Gods eer bevordert en goed is voor de naaste, want zij zoekt zichzelve niet. Zij is als de moeder die het eerst van allen op is en ’s avonds nauwelijks tijd vindt voor het rustig zitje bij de haard.

3. Het is verwonderlijk dat degenen, wie de rusteloze liefde geen tijd laat aan zichzelf te denken, voor een ander altijd tijd over hebben en zelden of nooit gejaagd en onrustig zijn. Want het gaat bij de nimmer moede liefde niet om de bedrijvigheid. Vóór zij over de goede werken spreekt, bidt de oratie God dat zijn genade onze daden moge voorkomen, begeleiden en volgen. Het gaat om een activiteit die ontspringt aan een innerlijke bron. En Gods genade heeft die bron gezuiverd; zuiver en helder is die ziel, niet langer troebel en verward. In de geest die volmaakt bemint, doet de bedrijvigheid geen afbreuk aan de innerlijke rust, gaan actie en contemplatie samen. „Zulk een ziel leeft nog slechts het leven van Christus, dat leven van liefde voor de Vader en van ijver voor zijn eer, welks stroom geheel besloten ligt in de schoot der heilige Drieëenheid. In vrede strijdt zij volgens haar bijzondere voorbestemming en zij zegeviert immer meer in de tijdelijke verheerlijking Gods, totdat God alles in allen is geworden. Tot volkomen eenheid geraakt, is zij voor haar God de volmaaktste en volledige lofprijzing. Zij kan Hem geen grotere eer bewijzen dan door mee te helpen dat allen volmaakt worden in de eenheid” ( Marie-Antoinette de Geuser ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Liefde en formalisme

314. Zestiende Zondag na Pinksteren

„Eens kwam Jezus op een sabbat in het huis van een der voornaamste farizeeërs om de maaltijd te gebruiken; en men bespiedde Hem. En zie, daar stond een man voor Hem, die aan waterzucht leed. Jezus nam het woord en sprak tot de wetgeleerden en farizeeërs: „Mag men op een sabbat genezen of niet?” Zij zwegen. Toen raakte Hij hem aan, genas hem en zond hem heen. Nu sprak Hij tot hen: „Wie van u zal zijn zoon of zijn os die in de put is gevallen, niet aanstonds, ook op een sabbat, er uit trekken?” En zij wisten hier niets tegen in te brengen” ( Lk.14, 1-6 ; evangelie).

1. Misschien hadden wij nog een antwoord geweten op Jezus’ laatste vraag. „Een genezing kan men uitstellen tot de volgende dag, maar mijn kind zou verdrinken zo ik niet aanstonds hulp bood” (gesteld dat wij de moed hadden nog één woord uit te brengen in tegenwoordigheid van de goede en almachtige Meester). Want ook wij hebben evenals de farizeeërs van toen een uitgebreide casuïstiek ter beschikking van onze gemak- en behoudzucht. Maar wetten en verordeningen verliezen in het christendom hun zin, indien zij de liefde, dat is, de mens, die Jezus heeft verlost, niet dienen. Dan worden zij dor geraamte dat de levende godsdienst dooddrukt. Dit is het juist wat Jezus hun en ons wilde leren. „Waarom overtreedt gij Gods gebod om wille van uw overlevering? Want God heeft gezegd: „Eert uw vader en uw moeder” ; en: „Wie vader of moeder vloekt, moet sterven” . Maar gij verklaart: „Wie tot vader of moeder zegt: „Alles waarmee ik u van dienst zou kunnen zijn, is tot offergave bestemd, behoeft vader of moeder niet te eren” .” En om uw overlevering ontkracht gij Gods gebod” ( Mt.15, 2-6 ). Merk op dat in beide gevallen de farizeeërs een bezwaar hadden van godsdienstige aard: de sabbatwet en de gelofte; en beide malen werd deze religieuze zwarigheid ingeroepen om hulp aan de evenmens te weigeren.

„Barmhartigheid wil Ik en geen offerande” ; dit grote woord van de profeet maakt Jezus tot het zijne ( Mt.9, 13 ). Gods gebod in zijn nieuwe wet is liefde, liefde voor God en voor de naaste. Dit gebod komt de voorrang toe boven alle andere.

2. Typerend voor de mentaliteit der farizeeërs is dat zij „zwegen” op Jezus’ vraag: „Mag men op de sabbat genezen of niet?” Het is zeker dat zij de handelwijze des Heren in hun hart veroordeelden, maar een voorzichtig afwegen der omstandigheden doet hen zwijgen: kat uit de boom kijken, prestigeverlies schuwen als de pest, voorrang van uitgerekende voorzichtigheid boven de liefde. voorzeker moeten inzicht en verstand aan onze daden richting geven, maar ten slotte moet ook deze prudentia in dienst staan van de charitas , en niet omgekeerd. Als de Heer voorzichtig was geweest in hun zin (die o zo dikwijls de onze is), zou Hij nimmer aan het kruis zijn geslagen. Als Sint Paulus gezwegen had waar spreken gevaar opleverde en de heilige noodzaak der liefde hem voortstuwde ( „wee mij, zo ik het evangelie niet verkondig …” ), hadden de heidenen de blijde boodschap niet vernomen. Als Sint Franciscus Xaverius „voor zijn gezondheid redelijke zorg had gedragen” , zou hij niet eenzaam, in de bloei van zijn leven, zijn gestorven op een eilandje voor de Chinese kust.

Wellicht zal men zeggen: „dit waren uitzonderlijke roepingen” . Het zij zo. Doch luisteren wij naar wat de Navolging toch wel voor allen schrijft: „De minnaar vliegt en rent en is verheugd. Hij is vrij en laat zich niet weerhouden. Hij let niet op de gaven, maar wendt zich boven alle goeds tot de Gever zelf. Liefde kent dikwijls geen maat, doch wordt vurig bovenmate. Liefde voelt geen last en acht de moeiten niet, wil meer dan zij vermag. Zij beroept zich niet op overmacht want zij meent dat zij alles kan en dat alles haar vrijstaat” ( Navolging van Christus III, 5, 4).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Uit de brief van Sint Jakobus

313. Zaterdag na de Vijftiende Zondag na Pinksteren

„Overspelers (zo noemt de apostel naar oud-testamentisch spraakgebruik allen die van God afvallen en heulen met het kwaad), beseft ge niet dat vriendschap met de wereld vijandschap betekent met God? Wie met de wereld bevriend wil zijn maakt zich Gods vijand. Of denkt ge dat de Schrift zonder reden zegt: „De Geest die in u woont bemint u met jaloerse liefde” ? En nog grotere genade biedt Hij aan. Met het oog daarop staat er geschreven: „God weerstaat de hovaardigen maar aan de nederige mens geeft Hij zijn genade” . Onderwerp u dus aan God, weerstaat de duivel en hij zal van u wegvluchten. Treedt nader tot God en Hij zal u naderen” ( 4, 4-8 ).

2. „Broeders, gij gelooft in de heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus; tracht dit geloof niet te combineren met vleierij van menselijke grootheid. Veronderstel dat iemand in uw vergadering komt met gouden ringen en fijn gekleed en dat tegelijkertijd een arme binnenkomt in haveloze kleding. Als gij aan de deftige alle aandacht besteedt en hem een ereplaats geeft, maar de arme zegt: „Blijf daar staan” , of: „Ga maar op de grond zitten bij mijn voetbank” , – hebt gij dan geen vals onderscheid gemaakt? Oordeelt ge dan niet partijdig? Luistert naar mij, dierbare broeders: heeft God niet de mensen die in het oog van de wereld arm zijn uitverkoren om rijk te worden in geloof en erfgenamen vna het koninkrijk dat Hij heeft beloofd aan wie Hem liefhebben? En gij zoudt de arme verachten?” ( 2, 1-6 ).

(Wij moeten door de eigenaardigheden van stijl en tijdsomstandigheden heen in deze woorden van Jakobus de eeuwige boodschap van Christus kunnen horen. Wee ons zo wij het zintuig daarvoor niet bezitten! De christen moet niet enkel de rijkdom niet verlangen, hij mag ook de rijken niet eren omdat zij rijk zijn. De armen moet hij eer bewijzen, want „Christus heeft hen uitverkoren” . De armen zijn Jezus’ bevoorrechten. Vervloekt is het geld, het bloed van de arme, dat zoveel christenen ontrouw maakt aan hun Heer, de Arme van Nazaret en Golgota, die voor dertig zilverlingen werd gekocht.)

„O gij rijken, weent over uzelf en jammert luid om de ellende die over u zal komen! Uw rijkdom is verrot, uw gewaden zijn verteerd door de mot, uw goud en zilver zijn verroest; hun roest zal tegen u getuigen en uw eigen lichaam aantasten als vuur. Gij hebt schatten (van toorn) verzameld tegen het einde der dagen. Gij hebt het loon achtergehouden van de arbeiders die uw akkers bewerkten, nu roept het luid tegen u en de kreten van uw maaiers zijn doorgedrongen tot de Heer der heirscharen. Gij hebt op aarde gefeest en in weelde geleefd; gij hebt uw harten gemest voor de dag der slachting. De onschuldige hebt gij veroordeeld en vermoord en hij biedt geen weerstand” ( 5, 1-6 ).

3. „Mijn broeders, acht het louter vreugde, wanneer allerhande kwellingen u treffen, – als mensen die weten dat zij alleen door de beproeving van hun geloof volharding verwerven. En de volharding moet haar werk grondig verrichten, wilt gij volmaakt zijn en ongerept, zonder in iets te kort te schieten” ( 1, 2-4 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Oogsten van de geest

312. Vrijdag na de Vijftiende Zondag na Pinksteren

„Een mens oogst wat hij zaait. Wie zaait in het vlees zal vergankelijkheid oogsten van het vlees; wie zaait in het geestelijke zal van de geest oogsten eeuwig leven” ( Gal.6, 7. 8 ; epistel van de Zondag).

1. Indien, zoals wij gisteren overwogen, de ware christen toegankelijk is voor de noden van allen die hij ontmoet en indien hij in de wereld staat als mens onder de mensen om de lasten te helpen dragen die ons allen neerdrukken, – dan dienen wij daaraan onmiddellijk toe te voegen dat hij naar de geest geheel in God moet leven. Dit is het ideaal waarnaar de wereld uitziet zonder het te weten: de christen wiens goedheid beschikbaar is voor allen omdat hij vrij is van allen, met de vrijheid die komt van God, omdat hij door liefde gebonden is aan God alleen. Hij moet zodanig van God vervuld zijn dat hij in het geheel niet meer steunt op zichzelf of op anderen, op gewoonten en conventies en omgeving, zodat hij het wagen kan in waarheid tot de mensen te gaan. Want de wereld waarin wij leven, biedt ons niet meer de steun van een christelijke atmosfeer. Zij wil zonder Christus leven en komt daar openlijk voor uit. Zij wil een leven en een gemeenschap inrichten die door eigen kracht bestaan zonder God en zonder hoop op het hiernamaals, en, sluiten wij onze ogen niet voor deze werkelijkheid: zij is er grotendeels in geslaagd het leven op deze wijze te organiseren. Daarom worden van ons deze uitersten geëist: uiterste beschikbaarheid en uiterste innerlijkheid. Want de christen mag zich van de wereld niet terugtrekken. Al zal zij ondergaan, de zielen der mensen die leven in de wereld zijn onvergankelijk en even dierbaar aan Christus als de onze. Maar minder dan ooit zal onze broze goedheid standhouden, indien zij niet deelt in de goedheid van de Vader in de hemel. Zij moet in de godloze wereld een spiegel zijn der goddelijke goedheid, opdat de mensen weer geloven mogen aan een waarde die meer is dan de stof en alle beheersing der stof. Maar hoe zal het ons mogelijk zijn zulk een goedheid te bezitten en te behouden, zo wij niet leven in God!

2. Aan een moeder die bezorgd was over de zedelijke en geestelijke gevaren waaraan haar zoon op school blootstond, zeide Léon Bloy : „Je moet je jongen de gewoonte bijbrengen altijd te bidden” . Dat is het geheim. Ook voor ons geldt dit woord. De oasen van beschutting verdwijnen in de egale woestijn van onze technische beschaving. Niemand mag zich immuun achten voor de besmetting die er uitgaat van de wereld.

Jezus is wederom ons onovertroffen toonbeeld. Hij die ging tot allen, sprak tot allen van God omdat Hij geheel leefde in God. Wij kunnen niet tot allen zonder onderscheid spreken over God, maar wij moeten wel leven in God; dan zullen wij God uitstralen in de wereld ook zonder te spreken. wij moeten het gebod om altijd te bidden zo letterlijk mogelijk toepassen door onze innerlijke aandacht zoveel mogelijk gekeerd te houden naar de nooit aflatende tegenwoordigheid van God. De ware christen van heden moet een mens zijn van beschouwing en inwendig gebed juist omdat de wereld van heden godloos wil zijn.

3. Indien men wil tegenwerpen dat dit een onmogelijk ideaal is en dat het getuigt van gebrek aan werkelijkheidszin een dergelijke kloosterlijke mentaliteit aan te bevelen ook voor hen die in de wereld leven, dan antwoord ik: toen door renaissance en hervorming het proces van de profanatie van het leven een aanvang nam, hebben mannen als Franciscus van Sales het bewuste streven naar de volmaaktheid gepredikt ook voor hen die leefden in de wereld. DeInleiding tot het godvruchtige levenen zovele andere werken uit die tijden hadden de bedoeling het streven naar de christelijke volmaaktheid ook buiten de kloosters te bevorderen in een wereld die zich van het christendom begon vrij te maken. Wanneer dit proces van ontkerstening van het leven zijn hoogtepunt bereikt in onze dagen, zullen de christenen moeten grijpen naar de hoogste middelen en mag de praktijk der beschouwing niet langer een monopolie blijven van contemplatieve kloosterlingen. Zalig zij die door God zijn geroepen om zich in de eenzaamheid geheel aan de beschouwing te wijden. Maar ook zij die leven in de geestelijke eenzaamheid van een wereld zonder God, moeten trachten door voortdurend gebed en door beschouwing God met zich te dragen, willen zij ware christenen blijven en door hun leven God verkondigen aan de velen die Hem nooit hebben gekend.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Elkanders lasten dragen

311. Donderdag na de Vijftiende Zondag na Pinksteren

In het epistel van de Zondag spoort de apostel ons aan tot edelmoedigheid jegens allen, tot een geesteshouding en een praktijk die zich niet afsluiten voor de noden van onze medemensen en die zich niet hoogmoedig van de zondaar afkeren. „Laten wij edelmoedig handelen ten opzichte van allen zolang wij daartoe in de gelegenheid zijn, vooral jegens hen die met ons één gezin vormen in het geloof” ( Gal.6, 10 ). Te voren reeds had Sint Paulus bepaalde vromen onder zijn lezers vermaand zich niet te verhovaardigen over de fouten der zwakke broeders, maar veeleer hen te helpen en te bedenken dat ook zijzelf ten val konden komen. „Draagt elkanders lasten; zo zult gij Christus’ wet vervullen” ( Gal.6, 2 ).

1. De mensheid van tegenwoordig verdraagt minder dan ooit vromen (al dan niet officiële), „geestelijke mensen” zoals de apostel hen hier noemt, die zich hoogmoedig en zelfvoldaan afzonderen van de massa. En zelfs zij die zonder bewuste zelfverheffing angstvallig vasthouden aan heilige huisjes, ivoren torens, schotjes en hekjes tussen vromen en zondaars, katholieken en niet-katholieken, geestelijken en leken en zo verder, zullen bemerken dat hun invloed ten goede zeer gering zal blijven. Of misschien zullen zij het niet merken maar het zal toch zo zijn. Wat de mens van tegenwoordig vraagt is de christen die „open” is, begrijpend voor iedereen, beschikbaar , die het menselijke erkent en waardeert dat ons allen verbindt. De wereld zal een christen die begint met wat de mensen scheidt niet accepteren. Het christelijke is niet meer het vanzelfsprekende en door allen geachte. Men kan dit betreuren, het is niettemin een feit. De katholiek van vandaag en morgen zal een mens moeten zijn die leeft van God en die tegelijk midden in de wereld staat, een die zichzelf mens weet en niet beter dan wie ook, die er zich altijd van bewust blijft dat zijn christen zijn genade is en roeping, een om niet ontvangen gave en een taak, die beseft dat dit door God geroepen en uitverkoren zijn een geestelijke waarde is en anders niets, dat het niets te maken heeft met stand of geld of kennis.

2. Alleen als de christen zo denkt, zal hij de anderen niet verachten en in staat zijn behalve zijn eigen last ook die van anderen te dragen. Alleen dan zullen de anderen genegen zijn hun last op hem af te wentelen. Slechts wanneer hij zijn christelijke rijkdom los ziet van alle tijdelijke waarden en aardse belangen, zal hij hem zuiver kunnen tonen aan de ontkerstende wereld en zijn goddelijke Meester navolgen. Want Jezus schroomde niet om te gaan met zondaars en hun zelfs voorkeur te betonen. Hij hield zich niet als vele Joden afzijdig van de heidenen en de Samaritanen. Hij trotseerde in het gesprek met de Samaritaanse vrouw de conventies van zijn tijd omwille van het rijk Gods. Hij ging tot allen en bewees allen zijn liefde. Hij trok zich niet als Johannes de Doper terug in de woestijn en in de afzondering van een ascetische levenswijze. Hij was voor allen beschikbaar zodat Hij dikwijls geen tijd had om te eten. Hij verkondigde onvermoeid de boodschap van zijn Vader in een taal die de mensen verstonden. Hij had medelijden met alle kwalen.

3. In navolging van Christus moeten wij, — ieder in zijn eigen verhoudingen en binnen de grenzen van zijn levensstaat en plichten, maar met een geest en een hart die wijd zijn als de wereld en het lijden van de wereld — de onmetelijk zware last helpen dragen van zonde en ellende, en edelmoedig „het goede doen” voor allen zonder uitzondering. Het is onmogelijk de wereld tot Christus te bekeren zonder deze goedheid, zonder deze geestelijke openheid, die de vrijheid van de Meester nabijkomt. De christen moet tot de wereld gaan zonder een zweem van eigendunk, een armzalig mens als alle anderen, met als enig wapen en enig bezit de goedheid die komt van God, met God zelf.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)