Maand: november 2015

Christelijke doodsgedachte

372. Dinsdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

Het einde van het jaar brengt ons vanzelf op de gedachte aan het einde van ons leven. De komst van Christus ten oordeel waarvan het grote zondagsevangelie spreekt, sluit ook zijn komst in als rechter voor ons allen, in die ontmoeting van God en de ziel, die wij het bijzonder oordeel plegen te noemen. Er is een soort conventie om de dood dood te zwijgen. Deze welgemeende samenspanning werkt het sterkst, als de dood van een dierbare nabij lijkt en ontaardt dan niet zelden in leugen en bedrog. Dit is zeer weinig christelijk. Wij zijn toch niet als zij die geen hoop hebben? Wij weten toch dat een zalige dood onze volmaaktste gelijkenis met Christus op aarde bewerkt en aanvang is van een onwankelbare vereniging der ziel met God? En er is wel nauwelijks een groter dienst die wij als christen aan onze naaste kunnen bewijzen denkbaar dan de hulp hem tijdig verleend voor een zalig afsterven.

1. In de evangeliën spreekt Jezus zelden over de dood van de afzonderlijke mens. Maar veel van wat Hij zegt over zijn wederkomst op het einde der tijden, geldt ook voor ons stervensuur, en wel heel bijzonder dat het tijdstip onbekend en de komst onverwacht zal zijn. Het beeld van de „dief in de nacht” is van Jezus zelf afkomstig ( Mt.24, 43 ; Lk.12, 39 ). De apostelen hebben het herhaald: „Zie, Ik kom als een dief; zalig hij die wakende is” ( Openb.16, 15 ; 3, 3 ; 1 Thess.5, 2 ; 2 Petr.3, 10 ). En het heeft zijn volle kracht behouden. Christelijk leven is leven in waakzaamheid.

2. De gedachte aan de dood is onmisbaar om het aardse leven naar zijn juiste waarde te beoordelen. De wetenschap dat men zal sterven geeft ons het persoonlijk besef van de algemene vergankelijkheid van het aardse. De gestalte van deze wereld gaat voorbij ( 1 Kor.7, 31 ). Zij gaat voor ons voorbij, omdat wij sterven. „Dwaas, nog deze nacht eist men uw ziel van u op, en wat ge hebt opgestapeld, van wie zal het zijn?” ( Lk.12, 20 ).

De dood is de grote waardemeter. Wat voor zijn geweld standhoudt, heeft eeuwigheidswaarde. Zoals wij de dingen zullen beoordelen in ons stervensuur zo zijn zij waarachtig. Dan beginnen wij door de schijn van dit leven heen te zien.

„De mens sterft slechts éénmaal en daar het hem aan ervaring ontbreekt, sterft hij verkeerd. Wil hem het sterven gelukken, dan moet hij onder leiding van ervaren mensen leren sterven, onder leiding van hen die reeds stervende waren. De onthechting geeft ons deze ervaring van de dood” ( Florensky ). Als wij niet reeds tijdens ons leven het kruis hebben gedragen, zullen wie niet licht goed weten te sterven.

3. De dood is voor de christen geen einde, maar een begin, de smartelijke doch voleindigende overgang naar het eeuwige zijn bij God. Hoezeer verlang ik, zegt Paulus , dit leven te verlaten om met Christus te zijn! Dit is toch veruit het beste ( Phil.1, 23 ). Zolang wij in het lichaam thuis zijn, zijn wij ver van de Heer ( 2 Kor.5, 6 ).

Dit is het grote verlangen dat alle heiligen heeft bezield en dat hen menigmaal als een heimwee verteerde. Ons leven moet zo zijn dat ook in onze ziel dit verlangen kan ontstaan.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Een leven dat vruchten draagt

371. Maandag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

In de oratie van de Zondag bidden wij dat „wij de vrucht van het goddelijk werk ( opus divinum ) met grote toewijding mogen uitvoeren” . In het epistel wenst Sint Paulus ons toe dat wij „vrucht dragen in allerlei goede werken en toenemen in de rechte kennis van God” ( Kol.1, 10 ).

1. Aan het einde van het kerkelijk jaar gekomen vragen wij ons bijna onwillekeurig af: was het goed en vruchtbaar, was het ten minste dragelijk? Onderzoeken wij onszelf eerlijk, voor het aanschijn van God. Velen in de wereld zijn tevreden, als zij leven van dag tot dag, als zij het hoofd boven water houden, zoals men dat noemt. Zij denken liefst niet na over de dingen die daarachter liggen. Zij kennen de zin van het bestaan niet, omdat zij niet geloven. (Hoe moeilijk en hoe hopeloos leven zij dikwijls en hoezeer werden wij bevoorrecht! Wij moeten dit altijd opnieuw bedenken.) Ons leven heeft de zin die God er aan gaf en die wij kennen door het geloof. Maar het moet ook vruchten dragen door onze edelmoedigheid. De goddelijke zin van ons bestaan, God eer te geven, zelf gelukkig te worden en anderen te helpen, wordt niet vervuld, als wij het niet vruchtbaar maken en rijk in goede werken. Wij behoeven ons niet af te vragen, zoals talloos velen, of het leven wel betekenis heeft. Maar wij dragen de grote verantwoordelijkheid van de gaven van God die ons werden geschonken: door zijn genade (maar deze staat altijd voor ons gereed) en onze inspanning moeten wij vruchtbaar worden en moeten wij de zin van ons leven waar maken. Hoe kunnen wij toch zo achteloos zijn en zo traag? „Bekeer onze harten tot U” (offergebed).

2. Maar de vruchten van ons leven zijn dikwijls, misschien wel altijd, verborgen voor ons oog. Wij gelijken mensen die in het donker werken en zelf niet zien wat zij bereiken. God vraagt van zijn geliefden altijd en vóór alles: geloof. Wij moeten geloven dat ons leven, door zijn genade, zin heeft en vruchtbaar is, ook al mislukken onze liefste plannen, al schijnen onze dierbaren af te dwalen van de weg van God, al lijkt het dat wij zelf, meer nog dan de anderen, machteloos zijn en naakt en arm voor Gods oog.

En daarom bidt de apostel niet enkel dat wij vruchten dragen van goede werken, maar ook dat wij „toenemen mogen in de rechte kennis van God” .

Als wij aan het einde van dit jaar (en aan het eind van ons leven) onszelf met ledige handen zien staan voor God, met gebroken voornemens en onvervulde idealen, maar wij weten, diep in ons hart, dat wij beter denken over God, dat wij Hem beter leerden kennen, dan is die tijd niet verloren geweest. Dan is ons leven niet mislukt. Want dit is de zin van ons bestaan en de kostbaarste vrucht van Gods genade, dat wij Hem een weinig leren kennen zoals Hij is, onuitsprekelijke verhevenheid en liefde zonder grond. Deze vrucht wil Hij oogsten op de bodem van onze ziel: kennis van God die tegelijk liefde is en die slechts verworven wordt ten koste van bloed en tranen.

„Offer voor God is een vermorzelde geest,
een gebroken en vernederd hart zult Gij, o
God, niet versmaden”
( Ps.50, 19 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

In het licht van Gods oordeel

370. Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

De Kerk herinnert de mens in deze laatste week van het kerkelijk jaar aan zijn einde door hem in de woorden des Heren het einde van deze wereld voor te houden. Het aflopen van de jaarkring verbeeldt onze eigen vergankelijkheid. De laatste dingen van wereld en mensheid vinden hun voorspel in de dood en het oordeel van de afzonderlijke mens. Ten gevolge van de heilzame praktijken van missie en retraite zijn vele katholieken wellicht geneigd te menen dat de gedachte aan de uitersten beperkt moet blijven tot die perioden van geestelijke extra-voeding. Niets is minder waar. „Bij al uw handelen denk aan het einde en in eeuwigheid zult gij niet zondigen” ( Eccli.7, 40 ). Er zijn weinig dingen die ons zo krachtig tot de deugd opwekken als de overweging van de dood en de hel. Er zijn weinig dingen waartoe onze Heer zelf ons in de evangeliën dringender aanspoort dan tot waakzaamheid. Het christelijke leven is uit zijn aard geheel gericht op dat einde dat voor de ware christen schone voleinding en heerlijk begin zal zijn. „Dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels met grote macht en majesteit” ( Mt.24, 30 ; evangelie). De Heer komt voor ieder van ons in het ogenblik van de dood. Ook zonder voortekenen weten wij dat dit „dicht bij is en voor de deur staat” .

1. Dan vindt het bijzondere oordeel plaats. Christus, de rechter van levenden en doden, zal het oordeel uitspreken over ons leven, over alle daden van ons leven. In zijn genadeloos licht zullen wijzelf dan, in één oogwenk, heel ons leven overschouwen en in die klaarheid, die alle schuilhoeken van ons bewustzijn doorlicht, ons eigen lot lezen. Dat is het oordeel: dat wij zelf zien zoals God ziet en dat wij zien dat het zó is en niet anders wezen kan. Wij zullen eensklaps onszelf kennen zoals wij zijn, onze armzalige deugd en onze zonden, de genaden Gods en alle verspeelde kansen, alle weigeringen en alle halve antwoorden op Gods roep. Wij zullen alleen zijn voor God. Het scherm van de zinnen zal zijn opgehaald, het rookgordijn van gewoonte en omgeving is verdwaald. Zelfzucht, ijdelheid en oppervlakkigheid kunnen onze naaktheid niet langer camoufleren. Het beroep op anderen die niet beter waren dan wij zal op onze lippen besterven. Wij zullen eindelijk weten. Wij zullen onszelf oordelen: sprakeloze beaming van het woord dat weerklinkt uit de mond van de Rechter.

2. Wij willen de Heer Jezus bidden, dat Hij nu reeds een straal van dat licht zende in de duisternis van ons aardse leven. Dat wij nu, in deze tijd van inkeer en boete, mogen leven in het licht van zijn oordeel. Dat wij, „vervuld met de kennis van zijn wil” , zoals het epistel zegt, ons leven en onze daden mogen beoordelen naar die zuivere maatstaf. „Wat Ik u zeg, dat zeg Ik tot allen: Waakt!” ( Mk.13, 37 ).Christelijke waakzaamheid, christelijke helderheid moet door de aardse schijn heenschouwen, moet vrijwaren voor de begoochelingen van het egoïsme om het naakte wezen te zien van onze daden, hun waarde en onwaarde in het oog van God.

De heilige Vincentius a Paulo was gewoon de dag te beëindigen met de gedachte aan de dood. Wat standhoudt in het licht van de dood en van het oordeel Gods heeft eeuwigheidswaarde. Al het andere is van weinig belang.

3. Zalig zij die gewoon zijn te leven in de tegenwoordigheid Gods! Wanneer wij eerlijk trachten voortdurend met God verenigd te leven, ons daarbij baserend op het geloof en niet op het gevoel, behoeven wij het oordeel na de dood niet te vrezen. Dan zal immers ons sterven niet een ontwaken zijn in de schrikwekkende Aanwezigheid die wij tijdens ons leven ontvlucht hebben, noch een ontzettende ontdekking van onszelf in het licht van God noch een vernemen van de stem die zegt: „Ik heb u nooit gekend” , — maar een overgang naar de eeuwige tegenwoordigheid, zonder beeld of schaduw, van Hem die wij zochten in de duisternis van het geloof en in wiens licht wij poogden al onze daden te beoordelen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De Moeder van Jezus

89. Zaterdag na de Zesde Zondag na Driekoningen

Wij willen de kerstkring niet besluiten zonder nogmaals een blik te werpen op haar die aan de wereld de Zaligmaker heeft geschonken. Zij was in al deze weken aanwezig in de geschiedenis van ons heil en in de viering der liturgie. Tijden de dagen der adventsverwachting heeft de Kerk met haar vurig verlangend uitgezien naar de komst van de Heiland. Op het kerstfeest mochten wij Jezus uit haar handen ontvangen. Op het feest van Driekoningen hebben wij tezamen met de wijzen het Kind gezocht en met zijn Moeder gevonden. En in de weken na Verschijning waarin het mysterie der godsopenbaring zich voor ons ontvouwde als de bladeren van een wonderbare bloem, was zij het steeds die het Kind aan de mensheid toonde. Zwijgend, en op de achtergrond, maar altijd in de houding der alheilige Godsmoeder, de weg wijzend tot het leven dat zij draagt op haar armen.

Zo ziet de liturgie haar en zo is de werkelijkheid die voortleeft in het mysterie der Kerk zelf. De Kerk is, evenals de heilige Maagd, de vruchtbare moeder die Christus naar de geest baart in de zielen van ontelbare kinderen. Reeds Sint Augustinus schreef: „Geestelijkerwijze is Maria de Moeder van Christus’ ledematen, dat is, van ons. Want door haar liefde heeft zij medegewerkt aan de geboorte in de Kerk van de gelovigen die de ledematen zijn van het Hoofd, — en naar het vlees is zij Moeder van het Hoofd zelf.” Door haar liefde heeft zij medegewerkt tot onze bovennatuurlijke geboorte. Vanaf de dag dat zij in haar geest de boodschap van de engel aanvaardde en het Woord Gods ontving, heeft zij met het goddelijke mysterie der verlossing medegeleefd in grote liefde. De heilige Schrift leert ons dat ook zij geleidelijk dieper inzicht verkreeg in het geheim van haar Zoon. Maar haar geloof en haar overgave waren van de aanvang af volkomen. In die overgave is zij door God geleid van smart tot grotere smart en tot het hoogste offer. Haar liefde heeft niet gewankeld. Zij heeft met onmetelijke moed al de consequenties van haar Fiat aanvaard, tot de meest onvermoede, tot zij stond bij het kruis. Zij stond daar en wankelde niet.

Haar geestelijke eenheid met Jezus heeft alles overtroffen wat wij ons denken kunnen. Het evangelie verhaalt hoe eens, tijdens Jezus’ openbaar leven, een volksvrouw, door het spreken van de Meester in vervoering gebracht, Hem onderbreekt en „temidden van de menigte” luid haar stem verheft om Hem zalig te prijzen. „Zalig de schoot die U heeft gedragen en de borsten die U hebben gezoogd!” Maar Hij zeide: „Zalig veeleer die luisteren naar Gods woord en het bewaren” ( Lk.11, 27. 28 ). Wederom is het Sint Augustinus die reeds begreep hoezeer deze woorden van Jezus, ondanks alle schijn van het tegendeel, de hoogste lof op zijn Moeder inhouden. „De band van het moederschap zou Maria niet hebben gebaat, indien zij er geen groter geluk in gevonden had Christus in haar hart te dragen dan in haar schoot. Zaliger was zij door het geloof in Christus dan door het vlees van Christus.” Dit een-zijn met de geest van Christus, bezegeld door het bloed van het kruis en onvergankelijk voltooid door haar hemelse verheerlijking, maakt haar tot onze Moeder naar de Geest. Zij leidt ons binnen in het mysterie van Christus en het mysterie van de Kerk. Zij moge ons de weg wijzen tot de vereniging van onze geest met de zijne. Zij moge ons leiden en vasthouden in het duister van onze aardse weg. Zij moge ook ons de moed geven om niet te wankelen in het geloof aan haar Zoon, en de kracht Hem aan te hangen in overgrote liefde.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leven

88. Vrijdag na de Zesde Zondag na Driekoningen

Wat ons waarlijk doet leven, zou Augustinus zeggen, is dat wat ons eeuwig doet leven. Het zalige leven kan geen einde nemen. En daarom kan slechts datgene ons waarachtig leven schenken wat ons verenigt met de Heer Jezus Christus, buiten wie geen heil bestaat en „zonder wie niemand tot de Vader kan komen.” „Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” „Ik ben de Deur.” „God heeft ons het eeuwige leven geschonken en dit leven is in zijn Zoon” ( 1 Joh.5, 11 ). „Vrees niet, Ik ben de eerste en de laatste, Hij, die leeft en die gestorven is, en zie, Ik leef tot in de eeuwen der eeuwen” ( Openb.1, 17. 18 ).

1. Hieraan denkt de Kerk, als zij ons in het slotgebed van de vorige Zondag bidden laat: „Met hemelse geneugten gevoed, bidden wij U, Heer, deze die ons waarachtig leven schenken, altijd te mogen begeren” . De christen die van de tafel des Heren weerkeert is „met hemelse geneugten verzadigd” . (Dit geldt altijd , ook in onze meest dorre en lome stemmingen, zo wij slechts meet geloof het Lichaam des Heren nuttigen). En nog gevoed met de bovenaardse spijs smeekt hij aanstonds weer daarnaar immer te mogen verlangen. Want de Kerk weet dat deze onverzadelijke begeerte ( appetere ) de voornaamste voorwaarde is, opdat ten volle Jezus’ woord aan ons wordt verwezenlijkt: „Wij mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven” ( Joh.6, 54 ).

2. Onze natuur verstaat onder het „volle leven” datgene wat ons levensgevoel verhoogt, wat ons het gevoel schenkt van welbehaaglijkheid, expansieve kracht, prestatie, erkenning. Wie aan een minderwaardigheidsidee lijdt of in zijn ondernemingen niet slaagt, wie altijd op de tweede plaats komt of door de anderen wordt geminacht, zal zich gemakkelijk uitgesloten achten van het festijn des levens. Maar de leerling van Christus overwint de wereld en ook zijn eigen zwakheid door het geloof. Alleen in de vereniging met God door Christus, onze Heer, is het heil gelegen en hiervan zijn de ellendigen en armen allerminst uitgesloten. „Zalig de armen van geest, zalig die treuren. Komt tot Mij alleen die tobt en belast zijt.”

3. Daarom is voor ons de voornaamste vraag niet wij in „het leven” slagen, maar hoe wij het eeuwige leven verwerven, dat is: hoe wij tot de vereniging met de Heer Jezus Christus geraken door, zoals Sint Paulus het noemt, „in Hem” te zijn. Wij kennen op deze vraag het antwoord dat ons elke dag opnieuw kan troosten en richting geven aan onze daden. Met Gods genade die ons niet ontbreekt, is het ons mogelijk elk ogenblik in te gaan tot deze levenwekkende en zalige gemeenschap, hoe onvolmaakt wellicht ook tot dat moment onze verhouding tot God is geweest. En wij weten ook hoe wij dit leven in ons bewaren en sterken kunnen. „Wat ons waarachtig doet leven” is: geloof en gebed, liefde en versterving uit liefde, hoop op de hemel en sacrament der onsterfelijkheid, kruis en vreugde van de Heilige Geest. In alle tijden en bij alle verandering van opvattingen blijven de wezenlijke waarden voor de christen dezelfde. Daarin ligt ons heil en het volle, want eeuwige leven. Houd vast aan de Heer Jezus, versaag niet in vertrouwen op Hem, word niet moede Gods aanschijn te zoeken, geef u over, zonder vrees en zonder voorbehoud, aan de goddelijke wil, die onze vrede is.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)